Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de toerekening van afbetalingen bij meerdere geldschulden.
Bij testament van 16 maart 1988 heeft de vader beschikt over zijn nalatenschap.
Hij heeft de moeder en de vijf kinderen ieder voor een gelijk deel (dus ieder voor een zesde deel) benoemd als erfgenaam, en een ouderlijke boedelverdeling gemaakt waarbij de nalatenschap is toegedeeld aan de moeder en de vijf kinderen een niet opeisbare vordering op haar kregen.
Partijen worden hierna de vereffenaar en kind genoemd.
De vraag is of de betalingen van in totaal € 200.514,30 zagen op aflossingen van de geleende hoofdsom van € 259.000,– en/of op de rente over openstaande hoofdsommen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat kind 1, gelet op het bepaalde in artikel 6:43 BW, zelf mocht bepalen dat hij de hoofdsom voldeed voordat hij enige rente voldeed, dat voldoende is gebleken dat kind 1 heeft bedoeld zijn betalingen toe te rekenen aan de hoofdsom en dat, aangezien kind 1 reeds een bedrag van € 200.514,30 heeft terugbetaald op de hoofdsom van € 259.000,-, thans nog een bedrag van € 58.485,70 ter betaling openstaat.
De vereffenaar komt met de grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat kind 1 bevoegd was om aan te wijzen op welke verbintenis de betaling dient te worden toegerekend.
Kind 1 stelt zich daarentegen op het standpunt dat, aangezien sprake is van meerdere verbintenissen, artikel 6:43 BW van toepassing is en hij wel bevoegd was om de betalingen aan de hoofdsom toe te rekenen.
Erfrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Aflossing en afbetaling van geldlening. Verrekening. Imputatie. Meerdere verbintenissen. Hoofdsom. Rente. Toerekening. Aanvaarding van betaling. Selbsteintritt.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof stelt met de rechtbank voorop dat de volgorde van toerekening aan verschillende schulden aan dezelfde schuldeiser op de eerste plaats wordt bepaald door hetgeen daaromtrent tussen partijen is overeengekomen.
Bij gebreke van een afspraak, mag degene die betaalt of verrekent kiezen (aanwijzen).
Wordt de keuze niet gemaakt of is deze onvoldoende duidelijk, dan worden artikel 6:43 lid 2 BW en artikel 6:44 lid 1 BW gevolgd.
Staat de door de schuldenaar gemaakte keuze de schuldeiser niet aan, dan kan de schuldeiser de betaling (voor dat deel) weigeren.
In de hypotheekakte staat geen volgorde voor toerekening vermeld en gesteld noch gebleken is dat de moeder en kind 1 los van de akte een volgorde hebben afgesproken.
Artikel 6:43 BW voorziet, indien uit een overeenkomst geen andere regeling voortvloeit, in een imputatieregeling voor toedeling van betalingen die zouden kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens dezelfde schuldeiser.
Anders dan kind 1 heeft betoogd leidt het feit dat in de notariële akte van geldlening de betaling van de hoofdsom en de rente als twee afzonderlijke verplichtingen staan opgenomen, niet tot de conclusie dat sprake is van twee of meer verbintenissen in de zin van 6:43 BW.
Voor een situatie als de onderhavige waarin sprake is van een (rentedragende) geldschuld geeft immers artikel 6:44 BW een speciale imputatieregeling.
Deze regeling houdt in dat betaling in de eerste plaats in mindering strekt van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.
Net als artikel 6:43 BW is artikel 6:44 BW van aanvullend recht en kunnen de moeder en kind 1 hiervan afwijken.
Kind 1 beroept zich erop dat hij bij de betalingen heeft aangegeven dat deze zagen op aflossing van de hoofdsom (en dus niet op rente).
De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de omschrijvingen en omstandigheden rond de betalingen voldoende duidelijk blijkt dat kind 1 bedoeld heeft de betalingen toe te rekenen aan terugbetaling van de hoofdsom die hij had geleend teneinde de twee panden te kunnen kopen.
De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen:
“Bij de betalingen staan omschrijvingen vermeld als: ”koop”, ”aankoop”, ”minus bet/afgelost”, ”nog te bet/aflossen”, ”aflossing”, ”laatst bet. hoofdsom totaal 84.000”, ”1e bankbet. koop loods”, en variaties hierop.
Kind 1 heeft, afgezien van het laatste bedrag, steevast ronde bedragen betaald.
Dat verhoudt zich niet goed met de berekende rentebedragen, maar wel met de aflossing van een hoofdsom.
De betalingen hangen nauw met elkaar samen en ze zijn doorlopend genummerd (1e betaling, 2e betaling, etc).
In de omschrijvingen worden de betalingen eerst opgeteld tot een totaal van € 84.000,–.
Dat was de aankoopwaarde.
Later (10 februari 2009) is alleen het hypotheekrecht doorgehaald.
Het hypotheekrecht voor het tweede pand is gehandhaafd.
In de daaropvolgende omschrijvingen wordt weer bij nul begonnen en worden de betalingen opnieuw opgeteld, nu tot een totaal van €175.000,–.
Dat was precies de aankoopwaarde van het tweede pand.
Kind 1 heeft, blijkens zijn verklaring, die niet is weersproken door de vereffenaar, het bedrag voor de laatste betaling zo uitgerekend dat het totaal, inclusief de door hem veronderstelde mogelijkheid van verrekening van € 58.485,70, exact uitkwam op € 259.000,–.
Uit al deze omstandigheden blijkt dat de betalingen door kind 1 zijn toegerekend aan de geleende hoofdsom.”
De vereffenaar heeft hiertegen niet gegriefd zodat het hof met de rechtbank ervan uitgaat dat vanwege de aanwijzingen die kind 1 heeft gedaan bij de door hem gedane betalingen, kind 1 voldoende kenbaar heeft beoogd dat deze betalingen zouden worden toegerekend aan de hoofdsom.
Blijkens de parlementaire geschiedenis bij artikel 6.1.6.14 (het huidige artikel 6:44 BW) geldt dat indien de schuldeiser een betaling aanvaardt waarbij de schuldenaar een van het eerste lid afwijkende imputatie bepaalt, de schuldeiser daaraan, evenals in het geval van 6:43 BW, gebonden is en de door de schuldenaar aangewezen schuld teniet is gegaan; de schuldeiser kan dan niet het betaalde behouden en dit vervolgens imputeren overeenkomstig het eerste lid.
De vraag ligt dan ook voor of de moeder de aan de hoofdsom toegewezen betalingen van kind 1 zo heeft aanvaard.
Kind 1 heeft in dat kader aangevoerd dat de moeder bij de eerste betaling op 26 juli 2005 op haar bankafschriften heeft geschreven dat dit bedrag door kind 1 was gestort met vermelding van “deelbetaling koop woonhuis”.
Ook heeft de moeder wat betreft de tweede, derde, vierde en vijfde betaling in 2006 en 2007, deze betalingen zelf van haar gewone bankrekening naar haar spaarrekening overgemaakt onder vermeldingen dat het betalingen van kind 1 betroffen, waarbij eveneens de hoogte van het betaalde bedrag was vermeld.
Daarnaast heeft zij bij de storting van € 2.000,- waarbij is vermeld “1e bankbet. (….) incl.kasbet. 22.000,00” geschreven dat dit klopt, met haar handtekening erbij.
Vervolgens zijn op 10 februari 2009 de hypotheekrechten gedeeltelijk geroyeerd onder vermelding dat van de oorspronkelijke hoofdsom van € 259.000,- een bedrag van € 84.000,- en van ongeveer € 40.000,- is afgelost, zodat resteert een bedrag groot ongeveer € 135.000,-.
Uit dit alles volgt volgens kind 1 dat de betalingen aflossingen waren op de hoofdsom en dat deze ook als zodanig door de moeder zijn geaccepteerd.
De vereffenaar heeft naar voren gebracht dat het gedeeltelijk royement van de hypotheek niet kan worden meegenomen in de beoordeling of de moeder aflossing op de hoofdsom in plaats van op de rente heeft geaccepteerd, nu niet de moeder zelf maar kind 1 als gevolmachtigde hiertoe opdracht heeft gegeven en niet is gebleken dat de moeder op de hoogte was van deze handelwijze van kind 1 en hiermee instemde.
Bovendien is deze akte nietig, nu kind 1 niet als gevolmachtigde had mogen optreden aangezien strijd tussen de belangen van de moeder en kind 1 niet was uitgesloten (verbod van Selbsteintritt).
Wat er ook zij van eventuele Selbsteintritt, het hof is met de vereffenaar van oordeel dat uit dit royement niet kan worden afgeleid dat moeder afstand heeft willen doen van eventuele vorderingen, aangezien onvoldoende duidelijk is geworden dat moeder is gekend in dit (gedeeltelijk) royement.
De vereffenaar heeft echter onvoldoende weersproken dat, gezien hetgeen de moeder bij de overschrijvingen heeft vermeld, zij de betalingen van kind 1 als aflossingen op de hoofdsom heeft geaccepteerd.
Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van de stelling van kind 1 dienaangaande.
Dat betekent dat nu de moeder deze betaling waarbij kind 1 een van het eerste lid afwijkende imputatie heeft bepaald, zij (en haar erfgenamen en thans de vereffenaar) daaraan gebonden is en de door kind 1 schuld (deels) teniet is gegaan.
Deze betalingen kunnen immers niet alsnog worden toegerekend overeenkomstig het eerste lid.
Dit geldt evenzo ten aanzien van de betalingen die kind 1 heeft verricht na het overlijden van de moeder, nu de gang van zaken in lijn was met de eerdere aflossingen op de hoofdsom.
Uit het vorenstaande volgt dat kind 1 van het bedrag van € 259.000,- een bedrag van € 200.514,30 heeft terugbetaald en dat er ten tijde van de procedure in eerste aanleg een bedrag van € 58.485,70 aan hoofdsom openstond.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.