De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan in kort geding over een vordering tot de verstrekking van gegevens voorde  vaststelling van omvang van erfdelen bij een wettelijke verdeling.

Eiser legt aan haar vorderingen – samengevat – ten grondslag dat de wettelijke verdeling van toepassing is en dat zij de informatie nodig heeft om de omvang van de erfdelen vast te stellen.

Partijen zijn het er over eens dat de wettelijke verdeling van toepassing is en [eisers01] vordert in dat kader informatie en stukken om de omvang van de erfdelen vast te kunnen stellen.

Erfrecht. Wettelijke verdeling. Kort geding. Informatieverstrekking. Vordering tot de verstrekking van gegevens voor de vaststelling van de omvang van de erfdelen uit de nalatenschap.

De rechter oordeelt als volgt.

Eiser vordert een boedelbeschrijving met onderliggende stukken.

In artikel 4:16 BW is bepaald dat de echtgenoot en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt.

In dit geval is nog geen boedelbeschrijving opgemaakt en wensen de kinderen (eisers) dat dit alsnog gebeurt.

Hoewel de wet niet bepaalt dat het de verantwoordelijkheid van de echtgenoot, dus in dit geval gedaagde, is om de boedelbeschrijving op te maken, geldt in dit geval dat gedaagde degene is die inzicht heeft in de bezittingen en schulden op het moment van overlijden van erflater en dat eiser dat inzicht niet heeft.

De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde al enige duidelijkheid heeft gegeven, maar de informatie is verspreid verstrekt en er is nog geen volledig en helder inzicht gegeven in alle bezittingen en schulden van de nalatenschap.

Gedaagde zal daarom veroordeeld worden om de boedelbeschrijving met onderliggende stukken te verstrekken.

Ook is er tussen partijen discussie of uitkeringen die de uitvaartverzekering van erflater heeft gedaan in de nalatenschap vallen.

Nu gedaagde betwist dat die uitkeringen in de nalatenschap vallen en aanvoert dat zij de begunstigde is volgens de polis, ligt het op de weg van gedaagde om dat door overlegging van de polis met voorwaarden te onderbouwen.

Eiser vordert niet dat de akte bij de notaris wordt opgemaakt en heeft ter zitting medegedeeld dat een simpele boedelbeschrijving volstaat.

De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat gedaagde kan volstaan met een onderhands opgemaakte boedelbeschrijving met onderliggende stukken.

Eiser vordert verstrekking van aangiftes IB van 2019 tot en met 2021 – waarop banksaldi zichtbaar zijn – met de bijbehorende IB aanslagen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat gedaagde voor wat betreft de aangifte en aanslag van 2021 geen specifiek verweer heeft gevoerd tegen de stelling dat die stukken nodig zijn om het vermogen op de datum van overlijden van erflater vast te stellen.

Nu de aangifte en aanslag van 2021 nog niet zijn verstrekt, is de vordering tot afgifte van deze stukken toewijsbaar.

Omdat gedaagde al inzicht heeft verstrekt in de banksaldi op de datum van overlijden is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet nodig dat op de aangifte de banksaldi op 1 januari en 31 december zijn vermeld of dat deze separaat worden verstrekt.

Voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap en de erfdelen is immers van belang welke bezittingen en schulden er waren op de datum van het overlijden van erflater.

Van de overige aangiftes en aanslagen – die overigens deels zijn verstrekt – geldt dat eiser onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat zij recht heeft op en belang bij verstrekking van de informatie over de voorgaande jaren.

Dat deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

 Eisers stelt dat gedaagde afschriften van de bankafschriften van de periode 27 november 2019 tot en met 31 december 2021 dient te verstrekken.

De voorzieningenrechter stelt vast dat zijdens gedaagde bij brief van 14 april 2022 een bankafschrift is verstrekt van de betaalrekening bij Rabobank op het moment van overlijden van erflater.

Verstrekking van overige bankafschriften van die rekening is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet nodig voor het vaststellen van de omvang van het erfdeel.

Erflater en gedaagde waren voor het overlijden van erflater namelijk gerechtigd om vermogen uit te geven zoals zij wilden.

Dat er sprake is van andere bankrekeningen op het moment van overlijden van erflater is niet gebleken.

Wel is gebleken dat er een spaarrekening bij Rabobank was die voor het overlijden van erflater (in 2019) is opgeheven.

Gedaagde heeft die opheffing ook onderbouwd met een brief van de Rabobank.

Ten aanzien van die rekening stelt eiser dat daar geld op stond en mogelijk op enig moment voor het overlijden van erflater naar de zoon van gedaagde is overgemaakt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook ten aanzien van deze rekening geldt dat erflater en gedaagde over die rekening mochten beschikken zoals zij wilden.

Voor de bepaling van de omvang van de erfdelen is nodig dat er inzicht is in het saldo op het moment van overlijden, en dat is gegeven.

Voor verstrekking van eerdere bankafschriften van die spaarrekening is daarom geen grond.

De vordering tot verstrekking van bankafschriften wordt daarom afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.