De PG bij het Parket van de Hoge Raas heeft onlangs de vraag besproken of een levensverzekering bij een wettelijke verdeling in de nalatenschap viel.
In deze procedure moet tussen de vijf erfgenamen van erflater de omvang van hun vorderingen als bedoeld in art. 4:13 lid 3 BW worden bepaald.
Het middel klaagt kort gezegd over de wijze waarop het hof de geldvorderingen in de zin van art. 4:15 lid 1 BW heeft vastgesteld.
Deze zaak betreft de vaststelling van de omvang van de in art. 4:13 lid 3 BW bedoelde geldvorderingen van de (stief)kinderen van de erflater op de langstlevende echtgenoot (art. 4:15 lid 1 BW).
Voor zover in cassatie nog van belang, is in geschil of bij het bepalen van de geldvorderingen rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 400.000 dat met het overlijden van erflater krachtens een levensverzekering tot uitkering is gekomen.
Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststelling van de geldvorderingen van de kinderen. Valt de levensverzekering in de nalatenschap? Levensverzekering. Verpanding. Partnerverklaring. Begunstiging. Hypotheekschuld. Subrogatie.
De rechter oordeelt als volgt.
Tussen erflater en verzoekster bestond per 15 juni 2015 een wettelijke gemeenschap van goederen, waarvan de levensverzekeringen van 25 juni 2004 waren uitgezonderd.
Er was dus een gemeenschappelijk vermogen en ter zake van de levensverzekeringen waren er privévermogens van erflater en van verzoekster.
Door het overlijden van erflater is de wettelijke gemeenschap van goederen ontbonden (art. 1:99 lid 1 onder a BW).
De nalatenschap van erflater en verzoekster hebben ieder een aandeel (ieder voor de helft) in de ontbonden gemeenschap als bedoeld in art. 3:189 lid 2 BW.
De wettelijke verdeling op de voet van art. 4:13 BW brengt mee dat alle goederen van de nalatenschap van rechtswege aan verzoekster als langstlevende echtgenote toebehoren en dat zij de schulden van de nalatenschap moet voldoen (art. 4:13 lid 2 BW).
Dit laatste wil overigens niet zeggen dat de langstlevende echtgenoot de schulden in haar verhouding tot de kinderen dient te dragen.
De hierna te noemen vorderingen van de kinderen worden immers berekend in het saldo van de nalatenschap.
Ieder kind krijgt krachtens art. 4:13 lid 3 BW van rechtswege ten laste van de langstlevende echtgenoot een geldvordering overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel.
Voor het bepalen van het saldo van de nalatenschap gaat het niet alleen om het saldo van de goederen en van de schulden van de erflater (vgl. art. 4:7 lid 1 onder a BW), maar ook om andere schulden van de nalatenschap in de zin van art. 4:7 BW.9
De omvang van de geldvorderingen van de verschillende kinderen behoeft bij gelijke erfdelen overigens niet dezelfde te zijn, omdat bijvoorbeeld rekening moet worden gehouden met eventuele ‘inbreng’ van giften op de voet van art. 4:229 e.v. BW.
Deze geldvorderingen zijn pas opeisbaar bij overlijden van de langstlevende echtgenoot, dan wel bij diens insolventie of in de door erflater bij uiterste wilsbeschikking bepaalde gevallen (art. 4:13 lid 3 BW).
Hetzelfde geldt voor stiefkinderen indien dit, zoals in dit geval, bij uiterste wilsbeschikking is bepaald (art. 4:27 in verbinding met art. 4:8 lid 3 BW).
Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de geldvorderingen niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld (art. 4:15 lid 1 BW).
De echtelijke woning viel in de gemeenschap, evenals de hieraan verbonden hypothecaire schuld12 van € 650.000 aan Direktbank.
In de onderlinge verhouding tussen erflater en verzoekster ging deze schuld hen ieder voor de helft aan.
Tot de nalatenschap behoort dus de helft van de waarde van de woning en de helft van de schuld voor de woning.
De situatie ten aanzien van de levensverzekering is gecompliceerder.
De levensverzekering van erflater en verzoekster was gesplitst: verzoekster werd verzekeringnemer voor het deel dat bij overlijden van erflater vóór de einddatum tot uitkering komt en zij was aangewezen als eerste begunstigde.
De levensverzekering was gericht op dekking van de hypotheekschuld bij overlijden.
Verzoekster heeft, hoewel daartoe jegens Direktbank verplicht, haar rechten uit de verzekering niet aan Direktbank verpand.
ASR heeft het bedrag uit de verzekering wel aan Direktbank betaald.
Verzoekster heeft daar achteraf mee ingestemd.
In de brief van ASR wordt deze situatie, althans qua resultaat, vergeleken met het geval dat een partnerverklaring zou zijn afgegeven.
Hieraan kunnen vier conclusies worden verbonden.
In de eerste plaats volgt uit het voorgaande dat de rechten van verzoekster uit de levensverzekering in haar privévermogen vielen.
In de tweede plaats volgt uit het voorgaande dat het krachtens de levensverzekering uitgekeerde bedrag in dit geval is aangewend voor het doel waarvoor het bestemd was, namelijk (gedeeltelijke) aflossing van de hypothecaire schuld, ook al was er geen verpanding.
Ik maak nog een korte uitstap naar de mogelijke betekenis van de verpanding en de partnerverklaring.
De beoogde verpanding van de levensverzekering aan de bank strekt ertoe de bank zekerheid te verschaffen over de aanwending van het bedrag dat de levensverzekeraar uitkeert.
Door verpanding is de bank (onder meer) bevoegd om nakoming te vorderen van de levensverzekeraar en om de betaling van de levensverzekeraar in ontvangst te nemen (art. 3:246 lid 1 BW en vgl. art 7:971 lid 2 BW), waarna het pandrecht op het geïnde bedrag komt te rusten (art. 3:246 lid 5 BW).
Wanneer de pandhouder mede de zekerheid wil dat de uitkering aan hem toekomt, zal hij moeten zorgen dat hij tijdig als begunstigde wordt aangewezen.
Wanneer de bank begunstigde is, ontvangt zij op grond van een eigen recht de uitkering uit de levensverzekering.
Na verrekening met de hypothecaire schuld door de bank, valt vervolgens, bij een huwelijkse gemeenschap, de verminderde schuld in de ontbonden huwelijkse gemeenschap, waartoe de nalatenschap (de erfgenamen) en de langstlevende echtgenote ieder voor de helft gerechtigd zijn.
Daardoor komt de levensverzekering indirect mede ten goede aan de erfgenamen bij het bepalen van de omvang van hun geldvorderingen, waarbij immers met een lagere hypothecaire schuld moet worden gerekend.
Met een door de echtgenoot-begunstigde aan de bank afgegeven zogenaamde partnerverklaring wordt beoogd te voorkomen dat de levensverzekeringsuitkering indirect mede aan de erfgenamen ten goede komt.
Met deze verklaring wordt de bank gemachtigd om aan de levensverzekeraar uitbetaling aan de bank te vragen van hetgeen de verzekeraar aan de echtgenoot-begunstigde verschuldigd is (in ruil waarvoor de bank afziet van haar aanwijzing als begunstigde).
De echtgenoot-begunstigde heeft in deze constructie een eigen recht op de uitkering; de uitkering valt in haar vermogen.
Heeft de echtgenoot-begunstigde een eigen recht op de uitkering uit de levensverzekering, maar wordt deze uitkering, overeenkomstig de partnerverklaring, door de levensverzekeraar aan de bank betaald, dan wordt daarmee op de hypothecaire schuld afgelost ten laste van het vermogen van de echtgenoot-begunstigde.
Bij een huwelijkse gemeenschap valt dan de oorspronkelijke (en niet de afgeloste) schuld in de ontbonden gemeenschap en voor de helft in de nalatenschap.
De uitkering uit de levensverzekering is dan dus niet indirect mede ten goede gekomen aan de erfgenamen.
Omdat de aflossing van de hypothecaire schuld met het bedrag van de uitkering geschiedt ten laste van het vermogen van de echtgenoot-begunstigde, wordt de echtgenoot-begunstigde gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser van de hypothecaire lening, voor zover zij op die lening meer heeft afgelost dan in haar onderlinge verhouding met de erflater aangaat, zodat hij/zij een vordering op de nalatenschap verkrijgt.
Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.