De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de geldvorderingen bij een ouderlijke boedelverdeling (al) opeisbaar waren.

Erflater heeft bij testament van 17 oktober 1997 over zijn nalatenschap beschikt.

Hij heeft hierin tot zijn enige erfgenamen benoemd gedaagde en zijn kinderen, gezamenlijk en voor gelijke delen.

Erflater heeft daarnaast in zijn testament een ouderlijke boedelverdeling opgemaakt als bedoeld in artikel 4:1167 (oud) BW.

Deze houdt in dat gedaagde alle goederen uit de nalatenschap van erflater krijgt toebedeeld en dat de kinderen een renteloze vordering op gedaagde krijgen voor het bedrag van de overbedeling van gedaagde ter grootte van het bedrag van het aan ieder kind toekomende netto erfdeel.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de erfdelen al opeisbaar zijn.

Erfrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Vaststelling van de erfdelen. Opeisbaarheid van de geldvorderingen. Uitleg van een testament. Wettelijke rente. Verklaring voor recht.

De rechter oordeelt als volgt.

Gedaagden stellen allereerst dat de erfdelen nog niet opeisbaar zijn omdat nog niet duidelijk is hoe hoog de erfdelen zijn.

Voor de vraag of de erfdelen opeisbaar zijn moet vervolgens gekeken worden naar wat hierover in het testament is opgenomen.

In het testament is – voor zover hier van belang – bepaald dat de erfdelen opeisbaar zijn wanneer gedaagde door volledige uitbetaling van de erfdelen in aanmerking zou komen voor een uitkering op grond van de “Algemene Bijstandswet” (met een hoofdletter B).

Deze wet was echter al per 1 januari 1996, dus voordat het testament op 17 oktober 1997 werd opgemaakt, vervangen door de Algemene bijstandswet (met een kleine letter b), welke wet op haar beurt per 1 januari 2004 is opgevolgd door de Wet werk en bijstand en per 1 januari 2015 door de thans nog geldende Participatiewet (hierna: Pw).

Bij gebreke van aanwijzingen dat bedoeld is de opeisbaarheid afhankelijk te stellen van een specifieke, strikt naar de letter (B in plaats van b) ten tijde van het testament al vervallen wet, of – als wordt uitgegaan van een schrijffout – afhankelijk te stellen van slechts een ten tijde van het opmaken van het testament geldende specifieke wet, brengt een redelijke uitleg van het testament met zich dat ervan moet worden uitgegaan dat bedoeld is te verwijzen naar de wet die op het moment waarnaar de opeisbaarheid beoordeeld zou moeten worden de bijstandsvoorziening regelt.

Voorts constateert de rechtbank dat in het testament niet de (strengere) voorwaarde is gesteld dat daadwerkelijk een bijstandsuitkering wordt genoten, maar de (in beginsel lichtere) voorwaarde dat door volledige uitbetaling van de erfdelen aanspraak zou ontstaan op een bijstandsuitkering.

Een redelijke uitleg van het testament brengt met zich dat aan die lichtere voorwaarde uiteraard in beginsel ook is voldaan als aan de strengere voorwaarde is voldaan en er zelfs zonder de uitbetaling van de erfdelen al recht bestaat op een bijstandsuitkering.

De advocaat van gedaagde heeft in haar akte van 15 februari 2023 verklaard dat gedaagde “slechts een AOW uitkering alsmede een aanvulling op AOW pensioen” ontvangt.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij toegelicht dat gedaagde een AOW-uitkering ontvangt met een zogeheten AIO-aanvulling.

De rechtbank stelt bij de beoordeling hiervan voorop dat AIO-aanvulling staat voor aanvullende inkomensvoorziening ouderen, in welke vorm door de Sociale verzekeringsbank algemene bijstand wordt verleend aan (kort gezegd) pensioengerechtigden die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Dit is thans geregeld in artikel 47a van de Pw en daarvoor vanaf 1 januari 2010 in artikel 47a van de Wet werk en bijstand. Voordien werd aanvullende bijstand aan ouderen verstrekt door de gemeente.

Ter zitting is als voorlopig oordeel gegeven dat gedaagde in ieder geval vanaf het moment dat zij deze aanvullende bijstandsuitkering ontvangt in beginsel verkeert in de in het testament bedoelde situatie waarin de erfdelen opeisbaar zijn.

Daarbij is ook besproken dat dit anders kan zijn als zou blijken – partijen verschilden hierover van mening – dat gedaagde een zodanig vermogen heeft dat zij, gelet op de toepasselijke vermogensgrens, deze aanvullende bijstandsuitkering ten onrechte is gaan ontvangen.

In die situatie volgt uit het daadwerkelijk (maar ten onrechte) zijn gaan ontvangen van de uitkering immers niet dat zij daar ook aanspraak op had, zoals in het testament als voorwaarde voor opeisbaarheid gesteld.

Gedaagde is in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat zij beschikte over een dergelijk (“te hoog”) vermogen, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

In haar laatste akte van 15 mei 2023 stelt zij, integendeel, dat er geen geld meer over is van opbrengsten van de verkoop van de registergoederen.

Dit betekent dat het ervoor gehouden moet worden dat gedaagde terecht een aanvullende bijstandsuitkering is gaan ontvangen, zodat de erfdelen opeisbaar zijn geworden.

Met de stelling van gedaagde in genoemde akte dat zij slechts een AOW-uitkering ontvangt, komt zij ongemotiveerd terug op haar akte van 15 februari 2023 en haar verklaring ter zitting dat een AIO-aanvulling wordt ontvangen.

Dit is niet met stukken onderbouwd en de toelichting in de akte dat zij niet onder de bijstandsnorm valt omdat zij gepensioneerd is, is bovendien in strijd met de genoemde artikelen uit de bijstandswetgeving.

De rechtbank gaat daarom aan deze stellingname voorbij.

Wat de datum betreft waarop de erfdelen opeisbaar zijn geworden, stellen eisers zich op het standpunt dat de erfdelen per 4 januari 2002 opeisbaar zijn, omdat gedaagde sinds het op die dag bereiken van haar pensioengerechtigde leeftijd een aanvullende bijstandsuitkering ontvangt.

Gedaagde heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat dit als onbetwist is komen vast te staan.

De gevorderde verklaring voor recht is gelet hierop toewijsbaar.

Hetzelfde geldt voor de vordering van eisers om gedaagde te veroordelen aan ieder van hen een bedrag van € 6.406,50 te betalen.

De hierover gevorderde wettelijke rente is echter pas toewijsbaar vanaf 30 oktober 2015, omdat eisers pas voor het eerst op 30 oktober 2015 bij gedaagde aanspraak hebben gemaakt op hun erfdelen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.