De Rechtbank Limburg heeft op 13 november 2020 uitspraak gedaan over de vraag of ook in kort geding een voorziening op grond van artikel 3:300 lid 2 BW kon worden toegewezen.

Gelet op de aard van de vorderingen en de doorlopende kosten heeft eiseres een spoedeisend belang bij toewijzing ervan.

Het meest verstrekkende verweer van gedaagde is dat er geen sprake is van een voorlopige voorziening, omdat in geval van toewijzing van het gevorderde een nieuwe constitutieve rechtstoestand tussen partijen wordt geschapen.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Voorlopige voorziening. Toedeling van een woning mogelijk in kort geding? Levering van onroerend goed.

De rechter oordeelt als volgt.

Het gevorderde leent zich – naar de stelling van gedaagde – dan ook niet voor behandeling in kort geding en moet worden afgewezen.

Dit verweer van gedaagde wordt verworpen.

Ook in kort geding kan een voorziening op grond van artikel 3:300 lid 2 BW worden toegewezen (Hoge Raad, 21 juni 2002, HR: 2002:AE4380).

De kern van het overige verweer van gedaagde is dat het gevorderde moet worden afgewezen, nu de afspraken die bij echtscheidingsconvenant zijn gemaakt nadien zijn gewijzigd.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

Gedaagde en de erflater hebben de afspraken die zien op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap in het echtscheidingsconvenant onvoorwaardelijk geformuleerd.

De leveringshandelingen die nodig waren ter uitvoering van de verdelingsafspraken van de goederen die genoemd zijn in het echtscheidingsconvenant zijn verricht, behoudens de levering van het aandeel van gedaagde in de woning aan erflater.

Levering van dit aandeel is uitgebleven omdat – onverwacht voor gedaagde en de erflater – de bank niet wilde meewerken aan ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Deze situatie, die tien jaar geduurd heeft, doet niet af aan het feit dat de woning onvoorwaardelijk aan de erflater was toebedeeld.

Gedaagde stelt dat de erflater en zij nadien de afspraken uit 2010 gewijzigd hebben.

Volgens gedaagde heeft de erflater afstand gedaan van zijn recht op toedeling van de woning en was het zijn uiterste wil dat de woning alsnog aan gedaagde toegedeeld zou worden.

Voor de voorzieningenrechter is onduidelijk wat gedaagde hiermee precies bedoelt.

De woning is in 2010 onvoorwaardelijk aan de erflater toegedeeld dus van afstand van een recht op toedeling kan geen sprake zijn.

Voor zover gedaagde bedoeld heeft dat partijen de oorspronkelijke verdeling hebben opengebroken en nieuwe verdelingsafspraken gemaakt hebben, geldt dat wat gedaagde daarover gesteld heeft te vaag is.

Dat “de woning op haar naam zou blijven” en “dat de woning voor gedaagde zou zijn als er met hem wat gebeurde” is niet toereikend als onderbouwing voor de stelling dat partijen nieuwe verdelingsafspraken gemaakt hebben.

De hiervoor geciteerde uitspraken die de erflater volgens gedaagde gedaan zou hebben, kunnen – ervanuit gaande dat ze zo gedaan zijn – er ook op duiden dat hij op dat moment voornemens was om de woning na zijn dood aan haar na te laten.

Gedaagde spreekt zelf over “zijn uiterste wil”.

Feit is echter dat de erflater de woning niet bij testament aan gedaagde heeft nagelaten.

Gelet op het voorgaande heeft gedaagde niet toereikend onderbouwd op welke grond zij niet tot notariële levering van haar aandeel in de woning aan de erfgenamen van de erflater gehouden is.

De voorzieningenrechter acht daarom aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat gedaagde gehouden is om medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in de woning aan de erfgenamen door tussenkomst van een notaris.

Vooruitlopend op dat oordeel kan de gevorderde voorziening worden toegewezen, echter onder de voorwaarde dat gedaagde gelijktijdig (op het moment van levering van haar aandeel in de woning) ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.

Die verplichting uit het echtscheidingsconvenant rust immers op de erfgenamen.

De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd zoals in de beslissing vermeld is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verdeling van onroerend goed in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.