De Rechtbank Rotterdam heeft op 9 december 2020 uitspraak gedaan over de vraag of een uitkering uit een verzekering in een nalatenschap viel.

Het belangrijkste geschilpunt dat partijen verdeeld houdt is de polis die gekoppeld is aan de hypothecaire geldlening ter zake van de woning die in het echtscheidingsconvenant aan erflater is toebedeeld.

De uitkering onder deze polis is verpand aan de bank.

Partijen houdt verdeeld aan wie de uitkering toekomt.

In het echtscheidingsconvenant staat dat de polis aan de man wordt toebedeeld.

De moeder stelt zich op het standpunt dat zij niettemin gerechtigd is tot de uitkering onder de polis.

Erfrecht. Uitkering verzekeringspolis. Valt de uitkering in de nalatenschap? Echtscheidingsconvenant. Uitleg.

De rechter oordeelt als volgt.

Het geschil betreft dus de uitleg van een overeenkomst (het echtscheidingsconvenant).

Toetsingskader daarbij is het volgende.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract.

Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

Indien een afspraak in redelijkheid niet voor meer dan één uitleg vatbaar is mag de rechter de zaak daar op afdoen (Hoge Raad, 9 september 1994, HR:1994:ZC1436, NJ 1995, 285).

De rechtbank is van oordeel dat de moeder geen recht heeft op de uitkering onder de polis.

De tekst van het echtscheidingsconvenant is op zich duidelijk.

De polis wordt toegedeeld aan de man (de erflater).

Dit kan redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat ook de uitkering onder de polis daar bij hoort.

De moeder stelt geen verklaringen en/of gedragingen die een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.

De afspraak in het echtscheidingsconvenant houdt in dat de polis aan erflater wordt toebedeeld, zonder verrekening.

Het zou de moeder overigens niet baten indien zij tegenover erflater wél gerechtigd zou zijn tot de uitkering onder de polis.

Die uitkering blijft dan nog steeds verpand aan de bank.

Dit pandrecht gaat krachtens wet voor op de rechten van de moeder.

De moeder vordert de uitkering onder de polis van de kinderen met als grondslag een eigendomsrecht, maar zij legt niet uit hoe zich dat verhoudt met de omstandigheid dat de bank rechthebbende is op de uitkering en dat de uitkering dient ter aflossing van de hypotheekschuld, waarna overigens zelfs nog een restschuld resteert.

De omstandigheid dat moeder op de (kruislingse) polis staat vermeld als verzekeringnemer en begunstigde en dat de begunstiging niet door erflater is gewijzigd doet aan het hiervoor overwogene niet af.

Het argument van moeder dat een dergelijke partnerconstructie bewust wordt gebruikt om te voorkomen dat de erfdelen van de kinderen (door het vervallen van de hypotheekschuld) groter worden en het de bedoeling is dat de uitkering uiteindelijk toekomt aan de langstlevende partner, slaagt evenmin.

Nog daargelaten dat de constructie er toe dient om erfbelasting te besparen, heeft deze geen zin bij een huwelijk in gemeenschap van goederen, zoals hier, omdat er dan geen sprake van is dat de begunstigde alle premies zelf heeft betaald.

Daarbij komt nog dat vaststaat dat erflater sinds de echtscheiding alleen alle premies heeft betaald zodat ook daarmee het beoogde (fiscale) effect aan de constructie is komen te ontvallen.

Aan het oordeel doet eveneens niet af de stelling van de moeder dat zij heeft afgezien van partneralimentatie.

Dit is immers geen verklaring en/of gedraging die een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de afspraak in het echtscheidingsconvenant om de polis aan de man toe te delen.

Indien de moeder, bij nader inzien, meent dat dit convenant financieel minder gunstig voor haar uitpakt, betekent dat nog niet dat het convenant daarom gewijzigd kan worden.

Evenmin is relevant dat volgens de moeder het echtscheidingsconvenant nooit is uitgevoerd.

Indien een overeenkomst niet is uitgevoerd, kan daarvan in beginsel nakoming worden gevorderd.

De moeder vordert voorts een schadevergoeding van € 1.000.

De moeder stelt daartoe dat bij de echtscheiding de gemeenschappelijke inboedel nooit verdeeld is, dat erflater de inboedel steeds onder zich heeft gehouden en dat het de kinderen niet vrijstond om na het overlijden van erflater naar hun eigen goeddunken te beschikken over deze inboedel.

De rechtbank zal ook deze vordering afwijzen.

De vordering is niet goed onderbouwd.

Er zit een periode van bijna zes jaar tussen de echtscheiding van de moeder en erflater en het overlijden van erflater.

Inboedel pleegt in de loop der jaren nog wel eens te slijten en/of vervangen te worden.

Wat er nog over was van die gemeenschappelijke inboedel toen erflater stierf, legt de moeder niet althans niet voldoende uit.

Dit had wel op haar weg gelegen, temeer nu de moeder, naar zij zelf stelt, na de echtscheiding nog wel over de vloer kwam bij erflater en dus een beeld kon hebben van wat er nog over was.

Evenmin legt de moeder uit wat de aanschafwaarde en de aanschafdatum waren van de inboedel die nog over was.

De rechtbank heeft daarom geen enkel inzicht in samenstelling en waarde van de gemeenschappelijke inboedel.

Dat deze inboedel nog relevante waarde had mag overigens worden betwijfeld.

Bij verdeling van een gemeenschappelijk goed dient in beginsel uitgegaan te worden van het moment van verdeling.

Dat is nu, bijna zes jaar later.

Als regel geldt daarbij de waarde in het economisch verkeer.

Aangenomen mag worden dat een opkoper weinig zal bieden voor een inboedel die bijna zes jaar geleden al niet nieuw meer was.

De moeder stelt niet dat de inboedel mede uit kostbare goederen bestond.

Overigens bleek op de mondelinge behandeling dat de moeder, na het overlijden van erflater, door de kinderen nog in de gelegenheid is gesteld om desgewenst inboedel mee te nemen uit de woning van erflater en dat zij daarvoor zes maanden de tijd had.

Waarom zij dat niet gedaan heeft is onduidelijk gebleven.

In zoverre heeft de moeder haar recht verwerkt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over verzekeringen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.