Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden  heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of onder de gegeven omstandigheden een kwalitatieve verplichting diende te worden opgelegd bij de verdeling van een aantal percelen grond.

Het gaat in deze zaak om de verdeling van een aantal percelen grond.

Het gaat hier om een wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 3:185 BW.

Dat artikel bepaalt dat als partijen het daar niet over eens worden de rechter de wijze van verdeling kan gelasten of die verdeling zelf kan vaststellen.

Daarbij dient naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en met het algemeen belang.

Erfrecht. Verdeling. Verdeling van een aantal percelen grond. Kwalitatieve verplichting. Dient onder gegeven omstandigheden een kwalitatieve verplichting te worden opgelegd?

De rechter oordeelt als volgt.

De kwalitatieve verplichting

De kwalitatieve verplichting wordt gedefinieerd in artikel 6:252 BW.

Dat artikel bepaalt dat “bij een overeenkomst kan worden bedongen dat de verplichting van een der partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien van een haar toebehorend registergoed, zal overgaan op degenen die het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen, en dat mede gebonden zullen zijn degenen die van de rechthebbende een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen”.

Geïntimeerden hebben voor hun vordering om aan appellant een kwalitatieve verplichting op te leggen aangevoerd dat de verdeelde percelen dicht bij het speelpark liggen.

Dit park heeft dringend behoefte aan uitbreiding, in het bijzonder in de vorm van extra parkeergelegenheid.

Geïntimeerden vrezen dat appellant het aan hem toebedeelde terrein zal gebruiken om het park te faciliteren in haar behoefte aan ruimte, bijvoorbeeld door het aan de parkeigenaar door te verkopen of door het zelf te gaan exploiteren, als parkeerterrein.

Dat zou leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare aantasting van de natuurlijke en landschappelijke waarden van het gehele terrein.

Niet alleen van het aan appellant toegedeelde terrein maar ook van het aan geïntimeerden toegedeelde terrein.

De verdeelde percelen behoren tot het erfgoed van geïntimeerden en zij wensen dat erfgoed te beschermen en door te kunnen geven aan volgende generaties.

Zij hebben er daarom belang bij dat het karakter van het geheel bewaard blijft.

De redelijkheid en de billijkheid die de rechtsverhouding tussen (gewezen) deelgenoten beheerst brengt in die situatie mee dat bij de verdeling een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 BW moet kunnen worden verbonden aan de verkrijging door appellant.

Geïntimeerden beroepen zich daarbij ook op art. 3:296 BW.

Appellant betwist dat hij het aan hem toegedeelde terrein commercieel wenst te exploiteren.

Hij wil het naar zijn zeggen juist gaan beheren als natuurterrein.

Verder biedt de wet volgens hem ook geen mogelijkheden om eenzijdig aan hem een kwalitatieve verplichting op te leggen bij de verkrijging van het aan hem toebedeelde terrein.

Dat kan alleen bij een overeenkomst en van een overeenkomst is geen sprake, omdat hij de kwalitatieve verplichting niet wil.

De vraag of het recht de mogelijkheid biedt om aan appellant een kwalitatieve verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 6:252 BW in de situatie dat geen sprake is van een daartoe strekkende overeenkomst tussen partijen, zal het hof niet beantwoorden.

Het is namelijk van oordeel dat zelfs als moet worden aanvaard dat het recht de mogelijkheid biedt om bij een verdeling op verlangen van de ene partij aan de verkrijging van de andere partij een kwalitatieve verplichting te verbinden, daar in dit geval geen grond voor is, op grond van het navolgende.

Het opleggen van een kwalitatieve verplichting zoals geïntimeerden die voor ogen staat, betekent een privaatrechtelijke, eenzijdige inbreuk op de volle eigendom die appellant in beginsel toekomt op het aan hem toegedeelde terrein.

Het gaat daarbij om een behoorlijke inbreuk, die niet alleen grenzen stelt aan het gebruik dat appellant mag maken van zijn eigen grond, maar hem ook beperkt bij de verkoop van zijn terrein aan een derde.

Als zo’n eenzijdige inbreuk op gronden van billijkheid al gerechtvaardigd zou kunnen zijn bij een verdeling, moet die op zijn minst berusten op zwaarwegende omstandigheden.

Daarvan is echter niet gebleken.

Geïntimeerden hebben hun onverdeelde aandelen in de percelen verkregen uit een erfenis.

Daarmee was voor wat betreft die aandelen sprake van een gemeenschap van nalatenschap als bedoeld in artikel 3:189 lid 2 BW.

Zoals zij zelf ook uitdrukkelijk naar voren hebben gebracht geldt voor aandelen in dergelijke gemeenschappen dat zij alleen kunnen worden overgedragen met instemming van de andere deelgenoten (art. 3:190 lid 1 BW).

Het had bij de verkoop van onverdeelde aandelen in die gemeenschap van nalatenschap aan appellant in 2003 daarom op de weg gelegen van al de in die gemeenschap betrokken deelgenoten om bij die verkoop te (laten) bedingen dat daaraan voorwaarden werden verbonden, al dan niet in de vorm van een kwalitatieve verplichting, om het karakter van het terrein te waarborgen.

Dan wel hadden de deelgenoten er jegens appellant een beroep op kunnen doen dat verkoop had plaatsgevonden zonder hun instemming.

De erfgenamen hebben echter het één noch het ander gedaan.

Appellant heeft zijn onverdeelde aandeel dus verworven zonder dat daar door de familie geïntimeerden voorwaarden aan zijn verbonden.

Als geïntimeerden bij de huidige verdeling wél verplichtingen willen verbinden aan de verkrijging door appellant, betekent dat in wezen alsnog een verzwaring van het door appellant onbezwaard verkregen aandeel in de gemeenschap.

Vanuit een oogpunt van billijkheid verzwaart dat nog eens het belang dat geïntimeerden bij hun vordering moeten hebben.

Het belang van het behoud van het terrein als geheel is dan onvoldoende, ook in aanmerking nemend dat geïntimeerden bij de verdeling nog steeds een aaneengesloten (maar wel kleiner) terrein behouden

De percelen hebben de bestemming van natuurterrein.

Het is niet alleen een belang van geïntimeerden dat het karakter van de percelen als natuurterrein bewaard blijft, maar het is ook een algemeen belang dat natuurwaarden worden beschermd.

Om dat belang te waarborgen bestaan verschillende publiekrechtelijke bepalingen en voorschriften die eigenaren van natuurterreinen beperken in het gebruik dat zij van hun terreinen kunnen maken.

Het private belang van geïntimeerden bij het behoud van het karakter van het geheel wordt dus ook publiekrechtelijk beschermd.

Het hof ziet, behoudens bijzondere omstandigheden die niet zijn aangevoerd, niet in dat het gerechtvaardigd is dat geïntimeerden vanwege hun belang bij het behoud van het natuurterrein als één geheel, het recht hebben om aan appellant verdere of andere beperkingen op te leggen dan die welke voor hem al voortvloeien uit het publiek recht.

De grief van geïntimeerden tegen de verwerping van hun vordering om aan appellant bij de verkrijging van het aan hem toegedeelde terrein een kwalitatieve verplichting op te leggen, faalt dus.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.