De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 18 december 2020 uitspraak gedaan over de vraag of het volledig te gelde maken van een vergoedingsrecht wegens een onder uitsluitingsclausule verkregen erfenis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

Partijen zijn met elkaar getrouwd in een algehele gemeenschap van goederen.

De gemeenschap van goederen is ontbonden op het moment dat het verzoek tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, op 11 september 2019.

Niet in geschil is dat de man geld heeft ontvangen uit de nalatenschap van zijn op 12 oktober 2012 overleden moeder.

Uit het testament van de moeder van de man blijkt dat een uitsluitingsclausule van toepassing is.

Partijen twisten over de precieze hoogte van de ontvangen gelden.

De man stelt dat het gaat om een bedrag van € 151.595,-, dat hij in etappes heeft ontvangen.

In juli 2013 is volgens de man een bedrag van € 15.000,- ontvangen uit de opbrengst van tot de nalatenschap behorende aandelen/effecten.

In januari 2014 is vervolgens een bedrag van € 6.000,- ontvangen na verkoop van een aantal roerende zaken uit de nalatenschap en een teruggave erfbelasting.

Daarna is de woning van de moeder verkocht aan de broer van de man en uit de verkoopopbrengst is in februari 2014 rond de € 130.000,- door de notaris aan de man uitgekeerd.

Nadat in mei alle rekeningen zijn betaald, is het resterende deel van de nalatenschap van € 595,- per persoon zijn uitgekeerd, aldus de man.

De vrouw betwist deze gang van zaken.

Zij zegt de precieze hoogte van het in totaal ontvangen bedrag niet te weten, maar zij erkent wel dat het om een bedrag tussen de € 21.595,- en de € 151.595,- gaat.

Erfrecht. Volledig te gelde maken van vergoedingsrecht wegens onder uitsluitingsclausule verkregen erfenis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank heeft in navolging van de vrouw vastgesteld dat de man geen aanslag voor de erfbelasting of bankafschriften van alle overschrijvingen heeft overgelegd, maar zijn verhaal vindt wel steun in de overgelegde aangiftes voor de inkomstenbelasting (IB) van partijen.

Uit die aangiftes IB blijkt dat partijen vanaf 2010 aan het interen waren op hun vermogen (bank- en spaartegoeden en aandelen).

Op 12 oktober 2012 overlijdt de moeder van de man.

Op 1 januari 2013 is de waarde van de overige bezittingen (‘onverdeelde boedel’ blijkens de specificatie) van partijen € 171.184,-, terwijl er voorheen geen overige bezittingen waren.

Het bedrag van € 171.184,- is hoger dan € 151.595,-, maar daar heeft de man een verklaring voor gegeven: namelijk dat de woning van zijn moeder te hoog was gewaardeerd, waartegen de erven bezwaar hebben gemaakt.

In de aangifte voor 2014 zijn de overige bezittingen van partijen bijgesteld naar € 141.205,- en in 2015 naar € 146.205,-.

Ook de bank- en spaartegoeden en de waarde van de aandelen van partijen zijn aanmerkelijk gestegen. In dit licht volstaat de betwisting van de vrouw niet.

De man heeft voldoende onderbouwd dat hij onder uitsluiting een bedrag van € 151.595,- heeft geërfd.

Vast staat dat het geërfde geld terecht is gekomen op een gemeenschappelijke rekening van partijen.

Het geld is daardoor door vermenging tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren.

Op grond van de wet heeft de man als gevolg van die vermogensverschuiving in beginsel tegenover de gemeenschap recht op vergoeding van dit bedrag (ook wel een recht van reprise genoemd).

Het geërfde geld is weliswaar aangewend voor diverse bestedingen, maar die omstandigheid doet op zichzelf niet af aan het vergoedingsrecht van de man.

Het gaat er namelijk om of die bestedingen betrekking hadden op gemeenschapsschulden dan wel op privéschulden van de man.

In dit geval zijn er alleen gemeenschapsschulden voldaan en is het vergoedingsrecht van de man dus niet aangetast.

Het ligt dan op de weg van de vrouw om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt.

De vrouw heeft de volgende omstandigheden aangevoerd, die door de man niet zijn bestreden.

Partijen hadden vanaf 1996 samen een vof. Vanwege de financiële crisis in 2008 liep de omzet terug, als gevolg waarvan partijen in de kosten moesten snijden. Om die reden hebben zij in 2011 allebei hun arbeidsongeschiktheidsverzekering opgezegd.

In 2013 is de man getroffen door een zwaar herseninfarct. De man is volledig arbeidsongeschikt geraakt. Hij was niet langer in staat om inkomen te verwerven, terwijl zijn gezondheidstoestand extra kosten met zich meebracht. De vrouw zorgde voor het inkomen en daarnaast nam zij de zorg voor de man en voor het destijds minderjarige kind van partijen voor haar rekening.

Partijen hebben eerst getracht het verlies van het inkomen van de man op te vangen met het inkomen van de vrouw en door in te teren op hun gemeenschappelijk vermogen.

Na de ontvangst van de erfenis is het daaruit verkregen geld, naast het opvangen van de inkomensachteruitgang, tevens aangewend voor zorgkosten van de man, voor aanpassingen van de woning aan zijn beperkingen en voor daaraan aangepaste vakanties.

Vervolgens hebben partijen in 2015 besloten het ouderdomspensioen van de man vervroegd tot uitkering te laten komen, waar tegenover stond dat de vrouw haar rechten op verevening van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen moest opgeven.

In 2016 heeft de vrouw een baan in loondienst genomen en is de vof van partijen gestaakt. Het geld van de erfenis is mede gebruikt om de fiscale eindafrekening daarvan te bekostigen.

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden kan de man zijn vergoedingsrecht naar het oordeel van de rechtbank slechts gedeeltelijk te gelde maken, en wel tot het bedrag dat aantoonbaar tot vermogensaanwas heeft geleid.

Dit betreft de bedragen die zijn besteed aan de aflossing van de hypotheekschulden en de betaling van lijfrentepremies.

Uit de aangiftes IB blijkt dat op de ‘hypotheek 2’ € 40.000,- is afgelost in de jaren 2015-2017. Verder staat vast dat in de periode 2013-2018 € 10.433,86 aan lijfrentepremies is betaald, bij elkaar opgeteld een bedrag van € 50.433,86.

Het te gelde maken van het resterende gedeelte van het vergoedingsrecht van € 101.161,14, dat is opgegaan aan bestedingen, die te maken hadden met het opvangen van de gevolgen van de arbeidsongeschiktheid van de man en de daarvoor te maken kosten, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Het bedrag van € 50.433,86 kan volledig uit de ontbonden gemeenschap worden voldaan.

In depot bij notaris staat namelijk nog een restant van de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning ter hoogte van € 75.000,-.

De rechtbank zal beslissen dat uit dit depot eerst het vergoedingsrecht moet worden betaald, waarna de rest kan worden verdeeld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een uitsluitingsclausule binnen het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.