Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 19 januari 2021 uitspraak gedaan over een verzoek tot machtiging tot verkoop van een gemeenschappelijk onroerend goed ex artikel 3:174 BW.
Deze zaak gaat in hoger beroep in het kort over het volgende.
Partijen zijn broers en zus van elkaar.
Na het overlijden van hun moeder heeft appellant toestemming gekregen om in de woning van moeder te wonen.
Geïntimeerden vragen in kort geding machtiging om de woning te verkopen.
Aan deze vorderingen hebben geïntimeerden, kort samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, het volgende ten grondslag gelegd.
Iedere deelgenoot is bevoegd tot gebruik van een gemeenschappelijk goed, als dit gebruik maar te verenigen is met het recht van de andere deelgenoten.
Op grond van art. 3:174 BW kunnen geïntimeerden verkoop van het gemeenschappelijk goed vorderen.
Zij hebben spoedeisend belang bij hun vorderingen ter voorkoming van het oplopen van schulden en het nakomen van de wens van moeder om binnen zes maanden legaten uit te keren aan de kleinkinderen.
Appellant heeft in hoger beroep als grief het volgende aangevoerd: ten onrechte heeft de rechtbank de vordering van geïntimeerden toegewezen ten aanzien van de gevorderde machtiging voor het te gelde maken van de woning.
Appellant heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis op dit punt, zodat alle vorderingen van geïntimeerden worden afgewezen.
Erfrecht. Deelgenoten in nalatenschap. Verzoek tot machtiging tot verkoop van een gemeenschappelijk goed. Gewichtige redenen. Onroerend goed.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof overweegt verder dat niemand in een onverdeelde boedel hoeft te blijven (3: 178 BW).
De wens van geïntimeerden tot verkoop van de woning zal dus gerespecteerd moeten worden en ook in hoger beroep is dus terecht niet betwist door appellant dat de woning op enig moment verkocht zal moeten worden.
Het hof moet in hoger beroep ex nunc, dus met de kennis van heden, beoordelen of er gewichtige redenen voor de gevorderde machtiging tot verkoop zijn (art. 3:174 BW).
Het hof oordeelt dat hierbij ten eerste van belang is dat hoewel appellant stelt dat zijn broer en zus niet geschokt waren over zijn manier van communiceren, appellant zelf stelt dat er eerder andersom een vertrouwensbreuk is.
Dit blijkt ook uit de uitlating van appellant dat hij de afwikkeling van de nalatenschap niet uit handen wil geven en betrokken wil blijven als beheerexecuteur, mede gelet op het handelen van geïntimeerden.
Dit alles overziende oordeelt het hof dat het misschien niet juist is geweest om alleen een verwijt aan appellant te maken over zijn manier van communiceren.
Tegelijkertijd blijkt uit het voorgaande dat er onvoldoende basis is om ervan uit te kunnen gaan dat appellant, geïntimeerden in onderling overleg erin zullen slagen de verkoop van de woning te regelen.
De communicatie tussen hen is daarvoor te veel verstoord geraakt en zij hebben onvoldoende vertrouwen in elkaar.
Ten tweede is van belang of appellant zelf de woning zou kunnen kopen.
Appellant heeft in hoger beroep weliswaar gesteld dat dat zijn primaire voorkeur heeft, maar heeft niet gesteld dat hij dat daadwerkelijk zal doen.
Appellant heeft ook geen gegevens overgelegd dat hij daar mee bezig is en op welk wijze.
Appellant heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij de financiële middelen en mogelijkheden heeft om het huis te kunnen kopen.
Dit betekent dat zijn argument vervalt dat hij tijd nodig heeft om de woning te kunnen kopen en de machtiging om die reden niet zou kunnen worden gegeven.
Het hof passeert daarom het verweer van appellant dat hij vanwege de wens om zelf te kopen de zaak aan de kantonrechter zou willen voorleggen in een aparte procedure.
De belangen die appellant verder heeft aangevoerd over de corona crisis zijn te algemeen en onvoldoende nader onderbouwd.
Nu appellant in het verleden ook op kamers heeft gewoond, gaat het hof er van uit dat appellant in staat is om woonruimte elders te vinden.
Appellant heeft zich ook nog beroepen op een ‘woonrecht’ dat aan een snelle verkoop van de woning in de weg zou staan.
Dit woonrecht heeft appellant niet nader geduid.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Partijen zijn deelgenoten van de woning.
Iedere deelgenoot is bevoegd is tot het gebruik van het gemeenschappelijke goed.
Aangezien het hier om een woning gaat, heeft iedere deelgenoot dus het recht om in de woning te wonen.
Dit recht wordt echter begrensd door de overige regels over de gemeenschap zoals art. 3: 174 en 178 BW waar geïntimeerden in deze procedure een beroep op hebben gedaan.
Appellant woont inmiddels al geruime tijd in de woning en heeft niet aangetoond dat partijen zijn overeengekomen dat hij er langer zou mogen wonen dan hij tot nu toe heeft gedaan.
Het is echter wel zo dat dit ‘woonrecht’ naar het oordeel van het hof invloed heeft op de termijn van levering van de woning.
Het hof is van oordeel dat op grond van tussen deelgenoten geldende eisen van redelijkheid en billijkheid de levering van de woning niet eerder dient plaats te vinden dan (uiterlijk) per 1 mei 2021 (art. 3:166 lid 3 BW).
Aldus wordt voldoende rekening gehouden met het woonrecht van appellant aangezien het mogelijk moet zijn om binnen deze termijn nieuwe woonruimte te vinden.
Het hof zal de proceskosten van het hoger beroep compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten moet dragen vanwege de familierelatie tussen partijen (artikel 237 lid 1 Rv).
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verdeling of verkoop van onroerend goed uit een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.