Het Gerechtshof Den Haag heeft op 8 september 2020 uitspraak gedaan over de vraag of uitspraak gedaan over de vereffening van een nalatenschap bij beneficiaire aanvaarding.

Partijen zijn zusters van elkaar.

De moeder van partijen (erflaatster) is in 2018 overleden.

De echtgenoot van erflaatster, tevens vader van partijen, met wie erflaatster in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, is voor-overleden in 2005.

De uiterste wilsbeschikking van 2 mei 1991 van de vader hield – samengevat – een ouderlijke boedelverdeling in, waarbij alle goederen en rechten uit de nalatenschap werden toegedeeld aan erflaatster.

Aan partijen werd toegedeeld een vordering in contanten ten laste van erflaatster ten bedrage van het ieder van hen in het saldo van de nalatenschap van de vader toekomende netto erfdeel.

Uit dien hoofde hebben partijen een vordering op erflaatster, die door haar overlijden opeisbaar is geworden.

Op 22 juni 2018 heeft geïntimeerde een verklaring van beneficiaire aanvaarding uitgebracht.

Erfrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Vereffening bij beneficiaire aanvaarding. Schulden van de nalatenschap. Voorrang. Rangorde.

De rechter oordeelt als volgt.

In geval van beneficiaire aanvaarding zijn alle erfgenamen vereffenaar (artikel 4:195 BW).

Het hof heeft niet kunnen vaststellen of één der partijen op de voet van artikel 4:203 BW de rechtbank heeft verzocht een vereffenaar te benoemen.

Het hof gaat er derhalve van uit dat geïntimeerde als enige erfgenaam vereffenaar is van de nalatenschap van erflaatster.

Haar taak als executeur is op grond van artikel 4:149 lid 1 letter d BW geëindigd.

Als vereffenaar dient geïntimeerde de vorderingen van de nalatenschap te innen en de (opeisbare) schulden te voldoen.

In artikel 4:7 BW is bepaald wat onder schulden van de nalatenschap moet worden verstaan en is tevens de rangorde en wijze van voldoening van deze schulden bepaald.

De vorderingen van partijen op erflaatster uit hoofde van de vaderlijke erfdelen zijn schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 letter a.

De vorderingen uit hoofde van de legitieme portie van appellanten van de waarde van het vermogen van erflaatster bij haar overlijden zijn schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 letter g.

Op grond van artikel 4:7 lid 2, tweede volzin worden in casu (nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van schulden als bedoeld in lid 1 letter f) bij de voldoening van de schulden ten laste van de nalatenschap met voorrang voldaan de schulden bedoeld in lid 1 onder a tot en met c en vervolgens de schulden als bedoeld in lid 1 onder d, e en g.

Deze schulden zijn in beginsel onderling van gelijke rang, tenzij uit een bijzondere wetsbepaling anders voortvloeit.

Appellanten zijn op grond van artikel 4:63 juncto 7 lid 1 letter a en letter g BW slechts schuldeisers van de nalatenschap.

Het hof gaat er evenals appellanten van uit dat sprake is van de zogenaamde lichte vereffening, waarbij geïntimeerde alleen verplicht is een boedelbeschrijving op te maken (artikel 4:211 lid 3 BW), zij contact dient op te nemen met de bekende schuldeisers van de nalatenschap (artikel 4:214 lid 2 BW) en de vorderingen dient te voldoen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over zuivere of beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.