Het Gerechtshof Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de waardebepaling van onroerend goed bij de vaststelling van een vordering uit een wettelijke verdeling.
Verweerder is de zoon van erflaatster en erflater.
Erflaatster is overleden op 20 april 2003.
Erflaatster was in de wettelijke algemene gemeenschap van goederen gehuwd met erflater.
Erflater is overleden op 2 april 2020. Erflaatster heeft niet over haar nalatenschap beschikt bij testament. Erflater was ten tijde van zijn overlijden in tweede echt gehuwd met verzoekster.
Hij heeft in zijn testament verzoekster tot enig erfgenaam/bezwaarde onder de tweetrapsmaking benoemd en verweerder als erfgenaam/verwachter onder de tweetrapsmaking.
Verzoekster heeft haar benoeming tot erfgenaam zuiver aanvaard.
Verzoekster is executeur in de nalatenschap van erflater.
De meest verstrekkende stelling van verzoekster is dat verweerder zijn rechten heeft verwerkt.
Subsidiair bestrijdt verzoekster de waarde van de bestanddelen, zoals die door verweerder is vermeld.
Verzoekster is van mening dat voor de waardering van het onroerend goed in A uitgegaan dient te worden van een waarde van € 210.000,- en dat voor de waardering van het onroerend goed in B uitgegaan moet worden van een waarde van € 890.000,-.
Uit het betoog van verzoekster volgt dat zij wenst aan te sluiten bij de waardering zoals die voortvloeit uit de Succesiewet 1956.
Voorts volgt uit dat betoog dat de rechtbank met betrekking tot de waardering van de aandelen van de BV van een te hoog bedrag is uitgegaan.
Uit haar betoog volgt dat zij van mening is dat er sprake is van een stamrecht BV en dat er een stamrechtuitkering is ondergebracht in deze vennootschap.
Door verweerder is gemotiveerd verweer gevoerd.
Verweerder is van mening dat met betrekking tot de waardering van de hiervoor vermelde onroerende zaken niet uitgegaan dient te worden van de waardering zoals deze voortvloeit uit de Successiewet 1956 maar dat voor de waardering aansluiting moet worden gezocht bij wat een willekeurige derde voor de onroerende zaken had willen betalen, eenvoudig gezegd de waarde in het economisch verkeer op het moment van overlijden.
Voorts heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat de BV geen stamrecht BV is.
Uit zijn verweerschrift volgt dat hij voor de waardering van de onderneming wenst uit te gaan van de intrinsieke waarde.
Uit het beroepschrift van verzoekster volgt dat het ondernemingsvermogen inzake de BV is meegenomen voor een waarde van € 83.424,- plus € 472.068, derhalve totaal € 555.492,-.
Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststelling van de vordering uit wettelijke verdeling. Waardebepaling. Onroerend goed. WOZ-waarde. Successiewet. Stamrecht. Rechtsverwerking?
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof stelt voorop dat, nu erflaatster geen testament heeft gemaakt, het wettelijk erfrecht zoals dit geldt na 1 januari 2003, van toepassing is.
Op basis van het wettelijk erfrecht is op het moment van het overlijden van erflaatster de voormalige huwelijksgoederengemeenschap alsmede de nalatenschap van erflaatster verdeeld.
Aldus is sprake van de wettelijke verdeling en op basis van de wettelijke verdeling heeft verweerder een vordering gekregen op de langstlevende echtgenoot, zijnde erflater.
Relevant voor de vaststelling van die vordering van verweerder op erflater is de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap op de datum van overlijden van erflaatster.
Uit de bestreden beschikking van de kantonrechter volgt dat deze het erfdeel van erflaatster heeft begroot op € 639.098,25.
De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat verzoekster de berekening door verweerder van het moederlijk erfdeel onvoldoende concreet heeft weersproken.
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden het erfdeel van erflaatster heeft bepaald op een bedrag van 639.098,25.
Voor de bepaling van het erfdeel dient met betrekking tot de onroerende zaken niet uitgegaan te worden van de Succesiewet 1956 aangezien de Successiewet 1956 uitgaat van de WOZ-waarde.
Het is een algemeen bekend gegeven dat de WOZ-waarde veelal lager is dan de prijs die een willekeurige derde voor een onroerend goed wil betalen.
Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven waarom uitgegaan dient te worden van een waarde van € 260.000,- en voor de onroerende zaak in B uitgegaan dient te worden van een waarde van € 1.113.500,-.
Naar het oordeel van het hof heeft verzoekster de door verweerder gestelde waarden niet gemotiveerd bestreden nu zij haar stelling uitsluitend heeft gebaseerd op de waarderingsmethode van de Successiewet 1956.
Ter zitting is het hof expliciet ingegaan op de BV en de vraag of deze vennootschap een stamrecht BV is of niet.
De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard dat hem geen stamrechtovereenkomst ter hand is gesteld.
Ter zitting heeft de advocaat van verweerder nogmaals gesteld dat er geen sprake is van een stamrecht BV.
Nu niet vaststaat dat sprake is van een stamrecht-BV, acht het hof het correct om voor de waardering uit te gaan van de intrinsieke waarde.
Voor de intrinsieke waarde geldt dat deze als zodanig niet door verzoekster is bestreden.
Kort samengevat komt het er op neer dat de grieven met betrekking tot de omvang van het erfdeel van erflaatster geen doel treffen.
Verzoekster heeft ook een grief geformuleerd met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente.
Voor het verschuldigd zijn van wettelijke rente is een ingebrekestelling vereist.
Naar het oordeel van het hof treft die grief doel, aangezien het hof in de brief van de notaris van 26 oktober 2020 geen ingebrekestelling leest.
De wettelijke rente is derhalve eerst vanaf 2 februari 2021 van toepassing omdat de advocaat van verweerder bij brief van 19 januari 2021 verzoekster in gebreke heeft gesteld, met aanzegging dat de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na dagtekening van die brief is verschuldigd.
Nu D op dat moment executeur was van de nalatenschap van erflater, tezamen met verzoekster, heeft deze brief wel degelijk tot gevolg dat wettelijke rente is verschuldigd.
Verzoekster heeft eveneens aan de orde gesteld dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op rechtsverwerking heeft gepasseerd.
Verzoekster is van mening dat zij als gevolg van tijdsverloop en wijzigingen van omstandigheden onredelijk is benadeeld met betrekking tot haar bewijspositie.
Door verweerder is gemotiveerd verweer gevoerd.
In zijn verweerschrift stelt hij: “Er is geen enkele rechtsgrond op grond waarvan rekening gehouden zou moeten worden met ‘de onredelijke benadeling van de positie van verzoekster’.”.
Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van rechtsverwerking.
Verzoekster wist dat erflater eerder gehuwd was geweest, een zoon had en dat de eerste echtgenote van erflater was overleden.
Het feit dat verweerder na het overlijden van erflaatster in 2003 een vordering heeft gekregen op erflater.
De omstandigheid dat hij zijn vordering op erflater niet heeft opgeëist vindt eveneens zijn grondslag in het wettelijk erfrecht.
Uit de feiten volgt dat verweerder eerst na het overlijden van erflater in 2020 om uitbetaling van zijn erfdeel van zijn moeder heeft verzocht, waartoe hij gerechtigd is.
De stelling van verzoekster dat erflater het erfdeel van erflaatster aan verweerder heeft voldaan heeft zij niet bewezen, mede bezien de gemotiveerde betwisting aan de zijde van verweerder.
Door verweerder is expliciet ontkend dat hij met erflater een overeenkomst heeft gesloten tot betaling van zijn erfdeel.
De betaling van € 28.000,- van erflater aan verweerder geeft niet aan waarop de betaling betrekking heeft.
Dit geldt tevens voor de betaling van € 25.000,-.
De brief die verzoekster in het geding heeft gebracht van erflater met betrekking tot de stelling dat erflater een regeling met verweerder zou hebben getroffen is niet ondertekend en bovendien ontkent verweerder dat hij die brief heeft ontvangen.
De grieven treffen derhalve ook geen doel.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.