De Rechtbank Rotterdam heeft op 29 oktober 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam de nalatenschap zuiver had aanvaard door een bedrag over te boeken van de bankrekening van de erflater naar de eigen bankrekening.
Op 16 augustus 2016 is erflater overleden.
Erflater was ten tijde van zijn overlijden niet gehuwd en niet geregistreerd als partner.
Hij had geen kinderen en geen uiterste wilsbeschikking (testament) gemaakt.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in haar beschikking van 12 mei 2017 op verzoek van de Schotland Bank, zijnde schuldeiser en hypotheekhouder van erflater, onder meer persoon A benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater.
Persoon A heeft gevorderd voor recht te verklaren dat persoon B de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard, hetgeen blijkt uit een door haar ondertekende verklaring voor ING Bank en haar gedragingen.
Voorts heeft persoon A gevorderd persoon B te veroordelen tot betaling van € 7.284,63, te vermeerderen met rente, tot en met 29 maart 2021 € 7,18, en € 739,23 aan buitengerechtelijke incassokosten, zijnde het restant van het vereffenaarsloon en schuld van de nalatenschap.
Omdat persoon B de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, is zij tot betaling daarvan gehouden en verplicht schulden van de nalatenschap uit haar eigen vermogen te voldoen.
De vordering van persoon A is toegewezen in het verstekvonnis van 4 mei 2021.
Persoon B vordert in haar verzetdagvaarding vernietiging van het verstekvonnis en afwijzing van de vordering van persoon A.
Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee persoon A en persoon B de vordering en het verweer daartegen onderbouwen.
Erfrecht. Zuivere aanvaarding. Heeft erfgenaam zuiver aanvaard door een bedrag over te boeken van bankrekening van erflater naar eigen bankrekening? Beheer. Schulden van de nalatenschap.
De rechter oordeelt als volgt.
Er is sprake van erfopvolging bij versterf en nu erflater geen kinderen had zijn persoon B, zijn moeder, samen met zijn vader en zijn zus de erfgenamen van erflater (art. 4:10 BW).
Het gaat in deze zaak primair om de vraag of persoon B de nalatenschap van erflater (zuiver) heeft aanvaard.
Persoon B aanvaardt die nalatenschap op grond van artikel 4:192 lid 1 BW zuiver als zij:
zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt doordat zij overeenkomsten aangaat strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of deze op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt.
Persoon B heeft na het overlijden van erflater in totaal € 4.275,47 van de bankrekening van erflater naar haar eigen bankrekening overgeboekt.
Het saldo van de bankrekening van erflater is na zijn overlijden door persoon B verhoogd door meerdere ook voor het overlijden al afgeschreven bedragen weer terug te laten boeken.
Persoon B heeft niet kunnen verklaren wat de reden voor deze terugboekingen was.
Persoon B stelt dat zij geld van de bankrekening van erflater naar haar eigen bankrekening heeft overgeschreven om de kosten van de begrafenis van erflater te betalen.
Zij stelt dat zij hier geld voor geleend heeft en dat zij deze lening moest terug betalen.
Het blijft bij een stelling, want persoon B heeft deze niet onderbouwd.
Desgevraagd heeft zij niet vermeld van wie zij geld heeft geleend, hoeveel geld zij heeft geleend en welke afspraken zijn gemaakt over de terugbetaling daarvan en wanneer is terugbetaald.
Het enige wat persoon B in dit verband heeft vermeld is dat haar schoonzoon haar heeft geholpen.
Wat hier ook van zij, uit de handelwijze van persoon B moet worden geconcludeerd dat zij meer heeft gedaan dan slechts het eventuele beheer van de nalatenschap.
Door haar handelen, zoals het terugboeken van afschrijvingen van de rekening van erflater heeft zij beschikkingshandelingen verricht waarmee zij gelden van de nalatenschap onttrokken heeft aan het verhaal van schuldeisers van erflater.
Het duidelijkst wordt dit uit de terugboeking door persoon B van de afschrijving van de Bank of Schotland over augustus 2016, zijnde de betaling door erflater van zijn hypothecaire verplichtingen.
Dit is tevens de schuldeiser van erflater op wiens verzoek de rechtbank Zeeland-West-Brabant tot benoeming van een vereffenaar van de nalatenschap heeft beslist.
Daarbij komt dat persoon B ook de motorvoertuigen van erflater op haar naam heeft gezet.
Zij heeft vermeld dat zij dit heeft gedaan om deze vervolgens te kunnen laten slopen.
Wat daar ook van zij, ook hier gaat het om vermogensbestanddelen die tot de nalatenschap behoren en die door persoon B aan het verhaal van schuldeisers is onttrokken.
Door zo te handelen heeft persoon B de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard.
Dat geen sprake is geweest van een beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap moet worden opgemaakt uit de genoemde beschikking.
De benoeming van de vereffenaar in die beschikking impliceert ingevolge het bepaalde in art. 4:204 BW dat de nalatenschap niet onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard.
Een erfgenaam is verplicht een schuld van de nalatenschap uit zijn eigen vermogen te betalen als hij deze nalatenschap zuiver heeft aanvaard (artikel 4:184 lid 2 aanhef en onder a BW).
Uit het boedelregister is gebleken dat persoon B de nalatenschap niet heeft verworpen.
Ook is zoals hiervoor overwogen geen sprake geweest van een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving.
Zoals hiervoor eveneens overwogen is sprake van een zuivere aanvaarding van de nalatenschap door persoon B op grond van haar gedragingen en is zij dientengevolge gehouden een nog niet betaalde schuld van de nalatenschap te voldoen.
Het loon van de vereffenaar moet als zodanig worden aangemerkt.
Persoon B zal daarom € 7.284,63 aan persoon A moeten voldoen.
Ook de rente hierover die persoon A vordert kan worden toegewezen.
Persoon A geeft persoon B in zijn brief van 8 maart 2021 de gelegenheid het verschuldigde bedrag binnen veertien dagen na de dag dat die brief bij haar is bezorgd te betalen.
Persoon A deelt daarbij mee dat als persoon B dit niet doet, zij € 739,23 aan buitengerechtelijke incassokosten moet betalen.
Deze ‘veertiendagenbrief’ voldoet aan de eisen die artikel 6:96 lid 6 BW daaraan stelt.
De vordering van persoon A persoon B te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten is daarom ook toewijsbaar.
De conclusie van het voorgaande is dat er voor vernietiging van het verstekvonnis van 4 mei 2021 geen aanleiding bestaat.
Wat in dat tussenvonnis toegewezen is, is na het verzet van persoon B daartegen nog steeds toewijsbaar zoals hiervoor overwogen.
Het verstekvonnis wordt daarom bekrachtigd.
Persoon B is de in het ongelijk gestelde partij in deze verzetprocedure.
Zij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.
Dit vonnis wordt zoals persoon A vordert wat de proceskostenveroordeling betreft ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard.
Dit betekent dat als een rechtsmiddel tegen dit vonnis wordt ingesteld, persoon B in de tussentijd wel alvast aan die veroordeling moet voldoen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over zuivere of beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.