De Rechtbank Limburg heeft op 26 augustus 2021 uitspraak gedaan over de vraag of de Nederlandse voorzieningenrechter in kort geding bevoegd was om kennis te nemen van de vordering van de erfgenamen tot opheffing van de conservatoire beslagen op de bankrekeningen van erflater in Nederland

Eisers treden in dit kort geding op als de erfgenamen van erflater.

Erflater is in 2021 overleden in Lanaken (België) op 78 jarige leeftijd.

Erflater had de Nederlandse nationaliteit en woonde in België.

Eiseres is de zus van erflater en de overige eisers zijn neven van erflater en de zonen van diens zus.

Gedaagde was de partner van erflater met wie hij ruim veertig jaar een relatie had. Hij was niet met haar getrouwd, er was geen geregistreerd partnerschap en ook was er geen samenlevingsovereenkomst.

Gedaagde staat ingeschreven in Nederland, in de gemeente A, maar verblijft volgens eigen stellingen in H, België.

Erflater was op het moment van zijn overlijden ter observatie opgenomen in het OPZ Rekem in Lanaken op grond van een vonnis van de Vrederechter van het kanton Pelt van 1 december 2021.

Bij beschikking van de Vrederechter van het kanton Pelt van 11 december 2020 is een bewindvoerder-vertegenwoordiger aangesteld om erflater te vertegenwoordigen bij handelingen met betrekking tot zijn persoon en zijn goederen.

De Belgische notaris meester M heeft op 27 mei 2021 op verzoek van eisers een Europese erfrechtverklaring afgegeven.

Daarin is vermeld dat eisers de erfgenamen van erflater zijn op grond van het laatste testament van erflater, dat hij ten overstaan van notaris op 23 december 2019 heeft laten opstellen.

In dat internationaal testament heeft erflater zijn eerdere testamenten herroepen en heeft hij expliciet bepaald dat gedaagde niets van hem erft en nooit als testamentair executeur voor hem kan noch mag optreden.

Tevens heeft hij in dat testament bepaald dat uitsluitend het Nederlands recht van toepassing zal zijn op de vererving en de vereffening-verdeling van de nalatenschap.

Op basis van het Nederlands recht zijn de twee zussen van erflater gerechtigd tot diens nalatenschap.

De zus van erflater heeft de nalatenschap verworpen, waarvan op 26 februari 2021 akte is opgemaakt door de rechtbank Limburg.

Haar twee zonen zijn ingevolge plaatsvervulling in haar plaats gekomen en hebben de nalatenschap aanvaard.

Gedaagde weigert eisers als de wettige erfgenamen te erkennen.

Zij stelt zich op het standpunt dat het testament van 23 december 2019 nietig is omdat erflater op die datum wilsonbekwaam zou zijn geweest.

Volgens gedaagde is het voorlaatste testament uit 2008 rechtsgeldig, waarin zij tot enig erfgenaam is benoemd.

Gedaagde heeft op 2 juni 2021 ten laste van eisers en de zus van erflater conservatoir beslag laten leggen op de bankrekeningen van erflater bij de Rabobank in Nederland, die een totaalsaldo hadden van om en nabij € 8.700.000,-.

Daartoe is verlof verleend bij beschikking van 31 mei 2021 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant.

Vervolgens heeft gedaagde op 15 juni 2021 eisers en de zus van erflater gedagvaard in een bodemprocedure voor de rechtbank te Hasselt, België, tegen de zitting van 9 september 2021.

De dagvaarding in die procedure strekt tot nietigverklaring van het internationaal testament van 23 december 2019.

Internationaal erfrecht. Europese erfrechtverordening. Kort geding. Voorlopige maatregel. Is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van de vordering van de erfgenamen tot opheffing van de conservatoire beslagen op de bankrekeningen van erflater in Nederland?

De rechter oordeelt als volgt.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter

Eerst staat ter beoordeling of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen.

In artikel 705 lid 1 Rv is bepaald dat de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven, rechtdoende in kort geding, het beslag op vordering van elke belanghebbende kan opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter.

De voorzieningenrechter acht zich op grond van deze bepaling bevoegd te oordelen over de vordering van eisers tot opheffing van het gelegde beslag, nu het verlof tot het leggen van het beslag is verleend door een Nederlandse voorzieningenrechter en is gelegd onder rekeningen van erflater bij de Rabobank in Nederland, waaronder de Rabobank in Maastricht.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt.

Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481).

Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.

Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

Bij de beoordeling heeft als uitgangspunt te gelden het laatste door erflater opgemaakte testament, het internationaal testament van 23 december 2019.

Zolang niet in rechte is komen vast te staan dat dit testament nietig is, dient dit als het geldende testament te worden beschouwd.

Daarmee geldt ook als uitgangspunt dat eisers de erfgenamen zijn.

De nalatenschap van erflater valt onder de Belgische fiscale wet. Op grond van die wetgeving diende door de erfgenamen uiterlijk op 27 mei 2021 de voorlopige aangifte erfbelasting te zijn ingediend. Dit heeft gedaagde niet betwist.

Eisers hebben op 16 mei 2021 aangifte erfbelasting gedaan. Die aangifte is door hen overgelegd.

Gedaagde heeft niet betwist dat de aanslag erfbelasting dan binnen drie maanden volgt en de erfbelasting daarna binnen twee maanden dient te worden voldaan. Naar verwachting dient dus in september of oktober te zijn betaald. Indien daar niet aan wordt voldaan wordt een fiscale vertragingsrente verschuldigd, volgen invorderingsmaatregelen en kosten.

Eisers willen dat voorkomen en de aanslag kunnen betalen uit de beslagen banksaldi.

Eisers stellen er daarom belang bij te hebben dat zij de beschikking krijgen over het saldo op de rekeningen waarop het beslag rust, zodat zij daarvan de aanslag erfbelasting kunnen betalen van rond de € 5.500.000,- en overige boedelkosten.

Zij willen deze tevens snel kunnen betalen, omdat de Rabobank negatieve rente in rekening brengt over de banksaldi.

Gedaagde heeft aangevoerd dat eisers deze situatie over zichzelf hebben afgeroepen, ondanks dat zij hen er voor heeft gewaarschuwd dat indien op hun naam aangifte werd gedaan, een zeer hoog percentage erfbelasting verschuldigd zou worden.

Zij stelt dat op haar naam aangifte had kunnen worden gedaan. Als partijen dit in onderling overleg hadden gedaan, zou de verschuldigde erfbelasting vanwege het feit dat zij de partner van erflater was, aanzienlijk lager zijn geweest. Door met haar in overleg te treden over een regeling, had de hoge aanslag kunnen worden voorkomen. Volgens gedaagde zou de Belgische fiscus een dergelijke dading hebben geaccepteerd.

Partijen hadden dan het oordeel van de rechter over de rechtsgeldigheid van het testament van 23 december 2019 kunnen afwachten.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient dit verweer van gedaagde te worden verworpen.

Het testament van 23 december 2019 is geldend zolang dit niet door de rechter nietig is verklaard.

Op grond van het geldende testament van erflater zijn eisers de erfgenamen.

Zij zijn dan ook degenen die de aangifte erfbelasting moeten doen en de aanslag erfbelasting dienen te betalen.

Daar komt nog bij dat gedaagde geen Belgische fiscale wetteksten heeft overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat een dading zoals door haar gesteld op basis van het geldende testament door de Belgische fiscus wordt geaccepteerd en dat op grond daarvan door haar aangifte erfbelasting had kunnen worden gedaan en eisers dan een aanzienlijk lagere erfbelasting verschuldigd zouden zijn.

Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat door gedaagde niet is aangetoond dat erflater niet compos mentis was op het moment van opmaken van het internationaal testament op grond waarvan het aannemelijk moet worden geacht dat de rechtbank in de bodemzaak tot het oordeel zal komen dat het testament nietig dient te worden verklaard.

Door gedaagde zijn geen stukken overgelegd waarmee zij haar stellingen op dit punt heeft onderbouwd.

Erflater is weliswaar in december 2020 op last van de Vrederechter opgenomen in het OPZ Rekem, maar dit was ruim elf maanden na het opmaken van het testament.

Dit feit zegt daarom niets over de geestelijke gesteldheid van erflater in december 2019.

Eisers merken terecht op dat het vreemd is dat gedaagde zolang heeft gewacht met het ondernemen van actie indien zij van mening was dat erflater bij het opmaken van het testament niet beschikkingsbevoegd was, elf maanden heeft gewacht met indienen van het verzoek bij de Vredesrechter en de familie buiten de deur heeft gehouden.

De voorzieningenrechter acht het daarom niet aannemelijk gemaakt dat het testament vernietigd zal worden.

Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat dient te worden uitgegaan van de huidige situatie, waarbij het testament van 23 december 2019 het geldende testament is, eisers de erfgenamen zijn en zij binnen afzienbare termijn aan erfbelasting zo’n € 5.500.000,- dienen te betalen.

Het belang van eisers bij opheffing van het beslag teneinde over het saldo van de tot hun erfenis behorende bankrekeningen te kunnen beschikken, acht de voorzieningenrechter daarom zwaarderwegend dan het belang van gedaagde bij het afwachten van de procedure waaruit zal blijken of het door haar aangevochten testament in stand blijft.

De beslagen zullen daarom worden opgeheven.

De woning, de auto en de administratie

Op het testament van erflater is de Europese erfrechtverordening (Verordening (EU) nr. 650/2012) van toepassing.

Op basis van art. 4 van deze verordening is de rechter van de lidstaat van de laatste gewone verblijfplaats van de erflater bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging

Daar erflater laatstelijk woonachtig was in België is in dit geval de Belgische rechter bevoegd.

Weliswaar kan deze rechter ingevolge artikel 6 van de Europese erfrechtverordening, vanwege de door de erflater ten aanzien van de erfopvolging gemaakte rechtskeuze voor het Nederlands recht, op verzoek van een van de partijen in het geding zich onbevoegd verklaren indien de Belgische rechter van oordeel is dat de Nederlandse gerechten beter in staat zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging, rekening houdend met de praktische omstandigheden van de erfopvolging, zoals de gewone verblijfplaats van de partijen en de plaats waar de goederen zich bevinden.

Zolang daar in de door gedaagde aanhangig gemaakte bodemzaak bij de rechtbank in Hasselt niet toe is beslist, dient echter als uitgangspunt te gelden dat de Belgische rechter bevoegd is en dient in dit kort geding daarvan te worden uitgegaan.

Op grond van artikel 19 van de Europese erfrechtverordening kunnen in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen.

Vereist is wel dat het gerecht dat voorlopige of bewarende maatregelen wil nemen op grond van artikel 19, hiertoe bevoegd is op grond van zijn nationale wetgeving

 Uit de jurisprudentie van het Europese Hof met betrekking tot vergelijkbare bepalingen in andere Europese instrumenten kan worden afgeleid dat er dan wel een reële band moet zijn tussen het onderwerp van de procedure tot verkrijging van de voorlopige of bewarende maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter, zodat langs deze weg niet een extra bevoegdheid buiten de reguliere bevoegdheidsregels om kan worden gecreëerd, zie HvJ EG 17 november 1998, C-391/95 (Van Uden/Deco-Line).

Hier is bijvoorbeeld aan voldaan als zich goederen der nalatenschap in het land bevinden waar de voorlopige of bewarende maatregelen worden verzocht of gevorderd.

Bovendien moet het gaan om maatregelen uit de lex fori ter verzekering van rechten waarover voor het overige in de hoofdzaak wordt geoordeeld. Zie HvJ EG 28 april 2005, C-104/03 (St. Paul Dairy Industries).

Niet vereist is dat het om een geschil op tegenspraak moet gaan; ook bij een procedure ter verzekering van goederen der nalatenschap voordat vaststaat wie de erfgenamen zijn, kan de aanvullende bevoegdheid van art. 19 noodzakelijk zijn om de rechten van de eventuele erfgenamen te verzekeren.

De voorzieningenrechter komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat zij vanwege het ontbreken van het voorlopige of bewarende karakter van de gevraagde voorzieningen en het ontbreken van een reële band, niet bevoegd is om te oordelen over het treffen van voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de in België gelegen woning en de zich in België bevindende auto en administratie.

De voorzieningenrechter zal zich gelet op het voorgaande onbevoegd verklaren om kennis te nemen van deze vorderingen.

Overigens ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook het spoedeisend belang.

Gedaagde heeft toegezegd dat zij de lasten van de woning zal voldoen en het spoedeisend belang bij het ontvangen van een vergoeding voor het verblijf in de woning is niet gebleken.

Ten aanzien van de administratie van erflater stelt gedaagde dat deze bij de bewindvoerder is.

Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat eisers geen inzage kunnen krijgen via deze bewindvoerder.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het internationale erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.