Het Gerechtshof Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over rechtsmacht en het toepasselijk recht bij een onrechtmatige daad van een erfgenaam die tevens executeur was.

Geïntimeerden en appellante zijn kinderen uit het tweede huwelijk van erflater.

Erflater is overleden op 20 maart 1991 te Amsterdam.

Erflater heeft bij leven meerdere testamenten opgemaakt.

In zijn testament van 10 juli 1989 staat, voor zover van belang: ‘Ik benoem mijn dochter, (appellante) tot uitvoerster mijner uiterste wilsbeschikkingen met het recht tot inbezitneming mijner gehele nalatenschap volgens de wet, welk bezit zal voortduren totdat mijn gehele nalatenschap zal zijn afgewikkeld.’

Internationaal erfrecht. Rechtsmacht en toepasselijk recht bij onrechtmatige daad van erfgenaam tevens executeur. Schadevergoeding. Vermogensschade.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof is van oordeel, evenals de rechtbank tegen welk oordeel partijen niet hebben gegriefd, dat gelet op artikel 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen, nu appellante in Nederland woont.

De rechtbank heeft ten aanzien van het toepasselijk recht overwogen dat, aangezien geïntimeerden schade vorderen op grond van (primair) onrechtmatige daad, de bepalingen van de Verordening (EG) 864/2007 (Verordening ‘Rome II’) van overeenkomstige toepassing zijn.

Omdat de door geïntimeerden gestelde onrechtmatige daad een zeer nauwe en overwegende band met Nederland heeft, heeft de rechtbank Nederlands recht toegepast.

Met de grief betoogt appellante dat niet Nederlands recht van toepassing is maar mogelijk het buitenlands recht, op grond van de uitzondering van artikel 3 lid 2 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD).

Ook geïntimeerden hebben in eerste aanleg naar die regeling verwezen en daarmee erkend dat de WCOD van toepassing is.

Door niet mee te gaan met partijen in de toepassing van de WCOD heeft de rechtbank ten onrechte de bepalingen van Rome II van toepassing geacht, aldus de advocaat van appellante.

Geïntimeerden stellen dat zij zich in eerste aanleg hebben beroepen op een ander artikel dan appellante, namelijk artikel 3 lid 1 WCOD en dat des halve geen sprake was van een rechtskeuze.

Vervolgens heeft de rechtbank juist geoordeeld door Nederlands recht toepasselijk te achten, aldus de advocaat van geïntimeerden.

Anders dan appellante] betoogt, volgt uit de enkele omstandigheid dat beide partijen zich in eerste aanleg op verschillende bepalingen in de WCOD hebben beroepen, nog niet dat van een rechtskeuze sprake is.

Beoordeeld dient daarom te worden welk recht van toepassing is.

Geïntimeerden leggen aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat appellante onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten aan geïntimeerden te betalen een deel van het door appellante op grond van het vonnis van 17 september 2003 ontvangen bedrag van NLG 881.838,62, waarbij geïntimeerden ervan uit gaan dat appellante dit bedrag voor 1 januari 2004 heeft ontvangen en derhalve voor die datum deels aan geïntimeerden had moeten doorbetalen.

Naar het oordeel van het hof dient de vraag naar het toepasselijk recht te worden beoordeeld op grond van de WCOD, die ten tijde van het gestelde nalaten van toepassing was.

De Verordening ‘Rome II’ geldt alleen voor schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich na 11 januari 2009 hebben voorgedaan.

De hoofdregel van de WCOD is neergelegd in art. 3 lid 1: verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de staat op welk grondgebied de daad plaatsvindt (lex loci delicti).

In het geval van een omissiedelict betreft het de plaats waar moet worden of had moeten worden gehandeld, in dit geval Nederland (Hoge Raad, 12 oktober 2001, HR:2001:AD3973).

Het tweede lid van artikel 3 WCOD gaat uit van het geval van een meervoudige locus: de plaats waar de daad plaatsvindt en de plaats waar de daad schadelijk inwerkt op een persoon.

Is van een meervoudige locus sprake, dan geldt het recht van de plaats waar de daad inwerkt.

Met de woorden ‘schadelijk inwerkt’ is beoogd tot uitdrukking te brengen dat art. 3 lid 2 WCOD niet ziet op louter vermogensschade.

Wanneer de onrechtmatige daad in de ene staat is verricht maar in een andere staat uitsluitend vermogensschade bewerkstelligt, is geen sprake van een meervoudige locus.

In dat geval mist art. 3 lid 2 WCOD toepassing en wordt de onrechtmatige daad beheerst door de lex loci delicti van art. 3 lid 1 WCOD.

Daarvan is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake.

Het betoog van appellante dat lid 2 van art. 3 WCOD moet worden toegepast, faalt.

Op grond van artikel 3 lid 1 WCOD is Nederlands recht van toepassing.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.