Van onze advocaat kindsdeel erfenis. Onlangs heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan over de rangorde van de schuld van de erfenis ter zake van het erfdeel van de nalatenschap van de vooroverleden moeder en de schuld van de nalatenschap uit legaat bestaande uit het recht van gebruik en bewoning. De rechter geeft een ruime uitleg van het begrip schulden in artikelen 4:7 en 4:120 lid 2 BW.

De advocaat van de eiser heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de kindsdelen uit de nalatenschap van moeder dienen te worden uitgekeerd. Omdat de nalatenschap van vader over onvoldoende geldelijke middelen beschikt om deze vordering te kunnen voldoen dient de woning verkocht te worden.

Gedaagde is als executeur gehouden de woning te gelde te maken om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen. Dat dit ertoe leidt dat zij in persoon geen ongestoord gebruik meer zou kunnen maken van het legaat met betrekking tot het recht van gebruik en bewoning, doet hier niet aan af. De legaten zijn qua rangorde ondergeschikt aan de vordering van eiser jegens de nalatenschap van vader. Het legaat kan dus niet worden uitgevoerd, aldus de advocaat van eiser.

De advocaat van gedaagde voert als verweer aan dat zij bereid is mee te werken aan verkoop van de woning, mits rekening wordt gehouden met haar recht van gebruik en bewoning. Uitgangspunt dient te zijn dat de erflater wilde dat de gedaagde in de woning kon blijven wonen.

Dat blijkt uit het testament, waarin is bepaald dat het opeisen van de legitieme tot onterving leidt. Formeel wordt niet de legitieme maar het moederserfdeel opgeëist, maar dat heeft dezelfde uitwerking.

Gedaagde dient als executeur rekening te houden met het legaat van gebruik en bewoning. Dit legaat is qua rangorde niet achtergesteld bij de vordering van het kindsdeel van eiser. Het legaat van gebruik en bewoning is geen schuld als bedoeld in artikel 4:120 BW. Het artikel heeft slechts betrekking op een geldsom. De schulden die in artikel 4:7 BW worden beschreven zijn allemaal geldschulden, aldus de advocaat van gedaagde.

Tussen partijen staat vast dat eiser een opeisbare vordering heeft op de nalatenschap van vader ter zake het kindsdeel van zijn moeder. Verder zijn partijen het erover eens dat de beschikbare liquiditeit in de nalatenschap onvoldoende is, zodat de woning verkocht zal moeten worden om de vordering van eiser te voldoen.

Gedaagde heeft erkend dat zij in haar hoedanigheid van executeur gehouden is de woning te gelde te maken om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen. Zij stelt zich echter op het standpunt dat het aan haar gelegateerde recht van gebruik en bewoning voorgaat op de betaling van de vordering van eiser.

De rechter overweegt daaromtrent het volgende.

Schulden van de nalatenschap

Op grond van het bepaalde in artikel 4:120 lid 1 BW worden schulden van de nalatenschap uit een legaat slechts ten laste van de nalatenschap voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle worden voldaan. De schulden uit legaat komen derhalve in de rangorde na de overige schulden van de nalatenschap. Er bestaat geen aanleiding om ervan uit te gaan dat het begrip “schulden van de nalatenschap uit legaat” in genoemde bepaling alleen ziet op legaten die bestaan uit het geven van een geldsom, althans op geld waardeerbaar zijn en dus geen betrekking heeft op het aan haar toegekende legaat van recht van gebruik en bewoning.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het begrip schulden in artikel 4:7 BW en mitsdien ook in artikel 4:120 lid 2 BW ruim dient te worden uitgelegd, nu daarin is vermeld: “Onder schulden valt bijvoorbeeld ook de verbintenis tot overdracht of de verbintenis tot vestiging van een beperkt recht.”

Conclusie dient daarom te zijn dat een legaat, ongeacht de aard van de te verrichten prestatie, tot de schulden der nalatenschap moeten worden gerekend. Dit betekent dat de vordering die eiser ter zake van het kindsdeel van zijn moeder op de nalatenschap van vader heeft voorgaat op de vordering die gedaagde heeft ter zake het gelegateerde recht van gebruik en bewoning.

De stelling dat bij de beoordeling als uitgangspunt dient te worden genomen dat eiser de wens had dat gedaagde in de woning kon blijven wonen, kan gedaagde evenmin baten. De bewoordingen van het testament zijn duidelijk. Het legaat dat aan gedaagde is toegekend is achtergesteld op de vordering die eiser op de nalatenschap heeft in verband met het kindsdeel in de nalatenschap van zijn moeder. Gelet op het voorgaande kan met grote mate van waarschijnlijkheid ervan uitgegaan worden dat de rechter in de bodemprocedure de gevorderde verklaring voor recht dat gedaagde op grond van het legaat het ongestoord genot van de woning heeft, zal afwijzen.

Heeft u vragen over het opeisen van het kindsdeel in een erfenis, over de schulden van de nalatenschap of over de verdeling van een erfenis, belt u dan gerust met onze advocaat kindsdeel erfenis op 020-3980150.