De Rechtbank Midden-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van rechtsverwerking van een vordering uit onderbeding bij een ouderlijke boedelverdeling.

De nalatenschap van is met het overlijden van erflater opengevallen.

Het testament van omvat een ouderlijke boedelverdeling in de zin van artikel 4:1167 BW (oud), aldus dat alle goederen aan erflater zijn toebedeeld en daarbij een (eerst zes maanden na het overlijden van erflater opeisbare) vordering op erflater hebben verkregen.

De nalatenschap is op het moment van het overlijden van erflater verdeeld op grond van de wettelijke verdeling van artikel 4:1167 BW (oud), zoals dat destijds gold. Aldus is geen sprake van een tussen de deelgenoten in de nalatenschap afgesproken overeenkomst van verdeling, waarbij voornoemde deelgenoten de verdeling zelf hebben vastgesteld.

In dat geval zouden de vorderingen bij deze overeenkomst van verdeling zijn vastgesteld, waardoor de vordering tot nakoming van deze verbintenis uit overeenkomst op grond van artikel 3:307 lid 1 zou zijn verjaard vijf jaar na het opeisbaar worden (zes maanden na het overlijden van erflater in 1999, dus per 2005.

Nu de nalatenschap op grond van de wet (artikel 4:1167 BW (oud)) is verdeeld en de onderbedelingsvordering ook op die grond is ontstaan, geldt dat bij gebreke van een andere verjaringstermijn in de wet, deze rechtsvordering op grond van artikel 3:306 BW pas verjaart door verloop van twintig jaren.

Deze termijn van twintig jaren is op grond van artikel 3:313 BW aangevangen in 2000.

Nakoming van deze vordering kon immers niet eerder worden gevorderd dan zes maanden na het overlijden van erflater.

Kindsdeel. Ouderlijke boedelverdeling. Vordering uit onderbeding. Rechtsverwerking? Termijnen.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van gedaagden op rechtsverwerking evenmin slaagt.

Voor het kunnen aannemen van rechtsverwerking is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid.

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop (“stilzitten” van de schuldeiser) daarvoor onvoldoende.

Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (Hoge Raad, 11 november 2016, HR: 2016:2574).

Door gedaagden is in het kader van hun beroep op rechtsverwerking in feite niet meer aangevoerd dan dat eiseres onnodig lang heeft gewacht met het instellen van haar vordering (ten gevolge waarvan gedaagden in bewijsnood zijn komen te verkeren).

Verder is namens gedaagde tijdens de comparitie nog aangevoerd dat uit de verklaring van eiseres bij diezelfde gelegenheid blijkt dat zij zich reeds voor het overlijden van D bewust was van het bestaan van deze vordering, zodat ook om die reden van haar mocht worden verwacht om de vordering eerder in te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet gebleken van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden (anders dan enkel tijdsverloop en het “stilzitten” van eiseres als schuldeiser), zodat het beroep op rechtsverwerking niet slaagt.

Hierbij verdient nog opmerking dat het niet tot de taak van de rechter behoort om in het kader van rechtsverwerking te bepalen dat, nu de vordering van eiseres is onderworpen aan de verjaringstermijn van twintig jaar van artikel 3:306 BW, dergelijke vorderingen toch binnen een andere, kortere termijn dan de in de wet voorgeschreven verjaringstermijn van twintig jaar moet worden ingesteld (Hoge Raad, 14 mei 2002, HR:2002:AD9601).

Anders gezegd: het aannemen van rechtsverwerking op basis van uitsluitend tijdsverloop zou de rechtszekerheid voortvloeiend uit de vaste verjaringstermijnen ondermijnen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over verjaring of rechtsverwerking in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.