Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 19 februari 2019 uitspraak gedaan over de afwikkeling van een ouderlijke boedelverdeling.

Partijen zijn broers en zus van elkaar. Hun ouders zijn kort na elkaar overleden, vader op 26 juli 2008 en moeder op 19 januari 2009.

De ouders waren ten tijde van het overlijden van vader gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen, die zij hadden ingevoerd bij notariële akte van huwelijkse voorwaarden van 6 februari 1987.

Vader heeft in zijn testament van 20 augustus 1986 moeder en partijen benoemd tot zijn enige erfgenamen en in zijn testament van 22 juli 2008 geïntimeerde tot executeur benoemd.

Hij heeft op voet van artikel 4:1167 BW (oud) een ouderlijke boedelverdeling gemaakt en daarbij alle goederen van zijn nalatenschap toegedeeld aan moeder onder de verplichting voor haar om alle schulden te voldoen en aan ieder van de kinderen het erfdeel in geld uit te keren.

Moeder heeft in haar testament van 20 augustus 1986 partijen tot haar erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel en in haar testament van 22 juli 2008 geïntimeerde tot executeur benoemd. Partijen hebben zowel de nalatenschap van hun vader als die van hun moeder zuiver aanvaard

Ouderlijke boedelverdeling. Afwikkeling nalatenschap. Verbruiksvergoeding. Verjaring vordering en schuldtoerekening?

De rechter oordeelt als volgt.

Appellant stelt dat geïntimeerde van 20 januari 2009 tot begin september 2010 gebruik heeft gemaakt van de woning en daarvoor een vergoeding is verschuldigd van € 2000,- per maand.

Het hof stelt vast dat partijen, althans alle partijen samen, het genot, het gebruik en het beheer van de woning niet bij overeenkomst hebben geregeld en dat de kantonrechter ook geen regeling daarover heeft getroffen.

Ten aanzien van het beheer was dat tot 23 februari 2010 ook niet mogelijk, omdat geïntimeerde tot dat moment als executeur het beheer over de woning had.

De andere geïntimeerde was ingevolge artikel 3:169 BW bevoegd tot het gebruik van de woning, mits dit gebruik met het recht van de overige partijen was te verenigen.

Zijn broers en zus hebben overigens ook deze bevoegdheid.

Een deelgenoot die een gemeenschappelijk goed met uitsluiting van de andere deelgenoten gebruikt moet de andere deelgenoten die verstoken blijven van het gebruik en genot waarop zij uit hoofde van de mede-eigendom recht hebben, schadeloos stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding.

Daarbij dienen de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen (artikel 3:166 lid 3 BW) tot maatstaf (Parlementaire geschiedenis Boek 3, pagina 587).

Dat geïntimeerde over de periode van 20 januari 2009 tot september 2010 telkens vijf dagen per week het uitsluitend gebruik van de woning had is niet komen vast te staan.

Appellant heeft in eerste aanleg aanvankelijk een bewijsaanbod gedaan maar vervolgens verklaard niet in staat te zijn dat bewijs te leveren. Het hof ziet anders dan appellant geen reden de bewijslast in dit geval om te keren, temeer nu appellant geïntimeerde en ook anderen als getuige onder ede kan doen horen over dit gebruik.

Vaststaat in elk geval wel dat geïntimeerde de woning op twee à drie dagen in de week ’s-avonds en ’s-nachts gebruikte voor overnachtingen.

Het hof is van oordeel dat in dit geval uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat geïntimeerde een vergoeding voor het gebruik betaalt, ook als het verblijf van geïntimeerde in de woning mede tot gevolg had dat deze een bewoond aanzien had en dieven en krakers op een afstand hield.

Geïntimeerde heeft zonder de instemming van appellant gebruik gemaakt van de woning. Dat hij zoals gesteld met zijn broers daarover afspraken had gemaakt doet daaraan niet af.

Geïntimeerde heeft geen kosten hoeven te maken voor de overnachtingen in de buurt van zijn woonplaats en daardoor voordeel genoten van het gebruik van de woning.

Het is redelijk en billijk dat appellant, nu de woning mede van haar was, in dat voordeel mag meedelen.

Het hof begroot de bevoordeling ex aequo et bono op € 50,- per overnachting. De totale gebruiks-vergoeding bedraagt (12 overnachtingen per maand/20 maanden): 12 x 20 x € 50,- = € 12.000,-. De grief slaagt in zoverre.

Geïntimeerde heeft in 2004 € 12.500,- van vader geleend. In 2006 heeft hij een deel daarvan ter grootte van € 3.500,- terugbetaald.

De broers stellen dat vader tijdens zijn leven aan geïntimeerde heeft gezegd dat hij het restant van € 9.000,- niet hoeft terug te betalen.

Het hof begrijpt dat appellant deze stelling betwist. De broers, althans geïntimeerde, op wie de bewijslast rust van de kwijtschelding door vader, bieden geen bewijs aan van hun stelling zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Dat betekent dat geïntimeerde alsnog € 9.000,- aan de nalatenschap is verschuldigd.

De rechtbank heeft geoordeeld dat geïntimeerde zijn aandeel in deze vordering heeft verbeurd.

De broers hebben niet kenbaar gemaakt op welke grond deze beslissing van de rechtbank niet juist is, zodat deze grief in zoverre faalt.

Deze vordering die toekomt aan geïntimeerden en appellant, ieder voor een gelijk deel kan aldus niet meer bij de verdeling van de nalatenschap, waarin alle vier de kinderen zijn gerechtigd aan de orde te komen en is dan ook niet vatbaar voor toerekening op het aandeel van geïntimeerde (artikel 3:184 BW/4:228 BW).

Uit de stellingen van partijen kan het hof niet anders afleiden dan dat hier sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd in de zin van artikel 3:307 lid 2 BW, zodat de verjaringstermijn van lid 1 van 5 jaar is ingegaan op de dag volgende op die waartegen de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan.

Dat kan op zijn vroegst de conclusie van antwoord van appellant in deze procedure in eerste aanleg zijn geweest.

Die dateert van 2 juli 2014, zodat de rechtsvordering tot nakoming van de hier bedoelde verbintenis nog niet is verjaard.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over een ouderlijke boedelverdeling, over het kindsdeel of over de legitieme, over een verbruiksvergoeding of over de verjaring van een vordering of schuldtoerekening, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.