Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 februari 2019 uitspraak gedaan over een ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW (oud)). Vordering uit hoofde van onderbedeling na ouderlijke boedelverdeling verjaart pas na 20 jaar.

Gedaagden hebben in hun afzonderlijke conclusies van antwoord allen een beroep gedaan op de onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de door eiseres ingeroepen rechtsgevolgen, dan wel op rechtsverwerking.

Ter onderbouwing daarvan voeren zij aan dat zij in bewijsnood verkeren, omdat eiseres pas 18 jaar na het overlijden van erflater de vordering heeft ingesteld.

Ter zitting hebben gedaagden ook een beroep gedaan op verjaring.

Overige gedaagde heeft dit weliswaar niet expliciet gedaan, maar zij heeft in haar conclusie van antwoord wel naar voren gebracht dat sprake is van rechtsverwerking omdat zij – onder andere vanwege het tijdsverloop – erop mocht vertrouwen dat zij na zovele jaren niet meer geconfronteerd zou worden met deze vordering.

Dit verweer zal op grond van artikel 25 Rv mede worden opgevat als een beroep van gedaagde op verjaring.

Ouderlijke boedelverdeling. Verjaring of rechtsverwerking? Vordering uit hoofde van onderbedeling na ouderlijke boedelverdeling verjaart pas na 20 jaar.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van eiseres niet verjaard is.

De nalatenschap van C is met haar overlijden in 1978 opengevallen.

Het testament van C omvat een ouderlijke boedelverdeling in de zin van artikel 4:1167 BW (oud), aldus dat alle goederen aan erflater zijn toebedeeld en D en E daarbij een (eerst zes maanden na het overlijden van erflater opeisbare) vordering op erflater hebben verkregen. Vast staat dat deze vordering destijds f 98.327,89 bedroeg.

Anders dan namens eiseres is betoogd is geen sprake van de opeising van een nalatenschap door eiseres in de zin van artikel 3:315 BW.

Met de verklaring van 23 februari 1979 hebben D en E deze verkrijging – namelijk van voornoemde bij leven van erflater niet-opeisbare vordering – aanvaard.

De nalatenschap van C is bij haar overlijden op in 1978 verdeeld, waarbij aan D voornoemde vordering is toegedeeld, waarbij D deze making reeds op 23 februari 1979 heeft aanvaard.

D heeft daarmee in feite zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder C al in 1979 opgeëist, zodat het instellen door eiseres van deze vordering niet meer als zodanig kan worden aangemerkt.

Zoals hiervoor overwogen is de nalatenschap van C op het moment van haar overlijden (1978) verdeeld op grond van de wettelijke verdeling van artikel 4:1167 BW (oud), zoals dat destijds gold.

Aldus is geen sprake van een tussen de deelgenoten in de nalatenschap van C (erflater, D en E) afgesproken overeenkomst van verdeling, waarbij voornoemde deelgenoten de verdeling (en de daaruit voortvloeiende onderbedelingsvorderingen van D en E zelf hebben vastgesteld.

In dat geval zouden de vorderingen van D en E bij deze overeenkomst van verdeling zijn vastgesteld, waardoor de vordering tot nakoming van deze verbintenis uit overeenkomst op grond van artikel 3:307 lid 1 zou zijn verjaard vijf jaar na het opeisbaar worden (zes maanden na het overlijden van erflater op in 1999), dus per 2005.

Nu de nalatenschap op grond van de wet (artikel 4:1167 BW (oud)) is verdeeld en de onderbedelingsvordering van D ook op die grond is ontstaan, geldt dat bij gebreke van een andere verjaringstermijn in de wet, deze rechtsvordering op grond van artikel 3:306 BW pas verjaart door verloop van twintig jaren.

Deze termijn van twintig jaren is op grond van artikel 3:313 BW aangevangen in 2000. Nakoming van deze vordering kon immers niet eerder worden gevorderd dan zes maanden na het overlijden van erflater.

De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van gedaagden op rechtsverwerking evenmin slaagt.

Voor het kunnen aannemen van rechtsverwerking is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid.

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop (“stilzitten” van de schuldeiser) daarvoor onvoldoende.

Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (zie bv. HR 11 november 2016, HR: 2016:2574).

Door gedaagden is in het kader van hun beroep op rechtsverwerking in feite niet meer aangevoerd dan dat eiseres onnodig lang heeft gewacht met het instellen van haar vordering (ten gevolge waarvan gedaagden in bewijsnood zijn komen te verkeren).

Verder is namens gedaagden tijdens de comparitie nog aangevoerd dat uit de verklaring van eiseres bij diezelfde gelegenheid blijkt dat zij zich reeds voor het overlijden van D bewust was van het bestaan van deze vordering, zodat ook om die reden van haar mocht worden verwacht om de vordering eerder in te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet gebleken van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden (anders dan enkel tijdsverloop en het “stilzitten” van eiseres als schuldeiser), zodat het beroep op rechtsverwerking niet slaagt.

Hierbij verdient nog opmerking dat het niet tot de taak van de rechter behoort om in het kader van rechtsverwerking te bepalen dat – nu de vordering van eiseres is onderworpen aan de verjaringstermijn van twintig jaar van artikel 3:306 BW – dergelijke vorderingen toch binnen een andere (kortere) termijn dan de in de wet voorgeschreven verjaringstermijn van twintig jaar moet worden ingesteld (vgl. HR 14 mei 2002, HR:2002:AD9601).

Anders gezegd: het aannemen van rechtsverwerking op basis van uitsluitend tijdsverloop zou de rechtszekerheid voortvloeiend uit de vaste verjaringstermijnen ondermijnen.

De slotsom van het voorgaande is dat de vordering van eiseres niet is verjaard en dat geen sprake is van rechtsverwerking.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over een ouderlijke boedelverdeling, over het kindsdeel of over de legitieme of over verjaring of rechtsverwerking in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.