Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 1 september 2020 uitspraak gedaan over de vraag of er sprake was van een opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van een eigendomsaandeel van een goed behorende tot een nalatenschap.

Geïntimeerden zijn de zoons van appellant en erflaatster.

Appellant en erflaatster waren gehuwd, tussen hen bestond een wettelijke gemeenschap van goederen.

Erflaatster is in 2016 overleden. Zij heeft over haar nalatenschap beschikt bij testament van 3 april 1986 en wel door een ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 (oud) BW).

De rechtbank heeft verklaard voor recht dat dat appellant het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement opzettelijk heeft verzwegen voor geïntimeerden en dat zijn aandeel is verbeurd en aan geïntimeerden toekomt.

Appellant heeft betwist dat sprake is van opzettelijk verzwijgen c.q. kwijtmaken van het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement in de zin van art. 3:194 BW.

De moeder van erflaatster is overleden op in 2017. Appellant is in juli 2017 benaderd door de advocaat van geïntimeerden over het eigendomsaandeel in het appartement en door zijn schoonbroer op de hoogte gesteld van het mede-eigendom.

Appellant hoorde hier zes maanden na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst voor het eerst over.

Appellant heeft in een e-mail van 31 juli 2017 aan de advocaat van geïntimeerden onder meer geschreven dat hij met ingang van die dag pas op de hoogte was van een mogelijk erfdeel dat erflaatster voor hem had verzwegen, zoals zij ook spaartegoed voor hem had verzwegen, aldus de advocaat van appellant.

Ouderlijke boedelverdeling. Is er sprake van opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van een eigendomsaandeel van een goed behorende tot de nalatenschap?

De rechter overweegt als volgt.

Bij de beoordeling of aan de kant van appellant sprake is van het opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement in de zin van dit artikel, moeten mede de volgende uitgangspunten in aanmerking worden genomen:

Het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet kan niet reeds worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde.

Gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv, rusten stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting van een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW, op degene die zich op deze bepaling beroept.

Aan het bewijs van het in artikel 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet moeten hoge eisen worden gesteld (Hoge Raad, 22 december 2017, HR:2017:3262).

Het hof is, mede gelet op de hiervoor genoemde uitgangspunten, van oordeel dat alleen van een geslaagd beroep op art. 3:194 lid 2 BW sprake kan zijn als vast komt te staan dat appellant wist dat het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement na haar overlijden tot de, voor wat betreft haar onverdeeld aandeel in de gemeenschap, tot de nalatenschap behoorde en dat appellant daarover heeft gezwegen.

Het hof is van oordeel dat hetgeen geïntimeerden hebben aangevoerd ontoereikend is om wetenschap van appellant in de hiervoor bedoelde zin aan te kunnen nemen.

Het feit dat uit de hypotheekakte van 17 februari 2006 met betrekking tot het appartement blijkt dat appellant vooraf, bij onderhandse akte, zijn toestemming als bedoeld in art. 1:88 BW voor de in de hypotheekakte genoemde rechtshandelingen heeft verleend is hiervoor onvoldoende.

Volgens appellant heeft hij steeds aangegeven dat hij eind 2005/begin 2006 thuis iets getekend heeft, maar niet (meer) weet wat. Tussen het ondertekenen van dat stuk en het aangaan van de vaststellingsovereenkomsten met geïntimeerden is een periode van 11 jaar verstreken en appellant kan zich niet meer herinneren wat destijds thuis voor akkoord heeft ondertekend. Hij wist niet beter dan dat vermogen zou vrijkomen na overlijden van de moeder van erflaatster. Hij heeft altijd begrepen dat erflaatster afstand had gedaan van de nalatenschap van haar vader, zodat haar moeder kon blijven wonen waar zij woonde, aldus de advocaat van appellant.

Dit verweer van appellant sluit aan bij zijn e-mail van 31 juli 2017 aan de advocaat van geïntimeerden, die hij drie maanden na het overlijden van de moeder van erflaatster op in 2017 aan hun advocaat heeft verzonden en waarin staat: “Zoals u nu zelf kunt constateren kunt u zien, dat ik m.i.v. vandaag pas dus op de hoogte ben van ’n mogelijk erfdeel. Zoals eerder met ’n verzwegen spaartegoed heeft m’n ex dit ook voor mij verzwegen, ik wist alleen dat alle 5 de kinderen afstand hadden gedaan van hun erfdeel, zodat hun moeder in dat appartement kon gaan wonen)”.

De door geïntimeerden in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen, waarin is geschreven dat appellant wist dat het appartement mede in eigendom toebehoorde aan erflaatster, hun schoonzus, “omdat wij allen aanwezig waren bij de notaris voor het ondertekenen van de akte van levering”, maakt het voorgaande niet anders.

Al zouden geïntimeerden gevolgd moeten worden in hun standpunt dat appellant wel bij de notaris aanwezig was ten tijde van het passeren van deze akte en een afstandsverklaring zou hebben getekend zodat hij geen aanspraak kon maken op het appartement bij faillissement en/of echtscheiding, dan had appellant naar het oordeel van het hof weliswaar behoren te weten dat het eigendomsaandeel in het appartement tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde, maar in de gegeven omstandigheden kan ook in dat geval het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement aan de kant van appellant niet worden aangenomen.

Niet gebleken is dat van appellant voldoende juridische kennis op dit gebied kon en mocht worden verwacht.

Al hetgeen verder nog door geïntimeerden is aangevoerd, waaronder begrepen dat appellant volgens hen voorafgaand aan het tekenen van de toestemmingsverklaring ex art. 1:88 BW een concepthypotheek- en leveringsakte zou hebben ontvangen en hij bewijsstukken zou achterhouden die waarschijnlijk duiden op het feit dat hij wist dat het eigendomsaandeel in het appartement tot de nalatenschap van erflaatster zou behoren, leidt, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door appellant daarvan, niet tot een ander oordeel.

Geïntimeerden hebben bewijs aangeboden van hun stellingen, maar er zijn door hen geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel van het hof zouden kunnen leiden. Om die reden worden het bewijsaanbod gepasseerd.

De conclusie is dat grieven in hoger beroep slagen.

De verklaringen voor recht dat appellant het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement opzettelijk heeft verzwegen voor geïntimeerden en dat het aandeel van appellant in het gedeelte van het appartement dat tot de nalatenschap van erflaatster behoort door appellant is verbeurd en derhalve aan geïntimeerden toekomt, kunnen niet in stand blijven.

Het hof zal die beslissingen vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de betreffende vorderingen van geïntimeerden alsnog afwijzen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.