De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 13 mei 2020 uitspraak gedaan over de waardebepaling van een bedrijf bij de voortzetting van de maatschap door de zoon na het overlijden van erflater.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat het nodig is een deskundigenbericht in te winnen over de omvang van de nalatenschap van erflater en de waardering daarvan.

Partijen hebben tijdens overeenstemming bereikt over de te benoemen deskundige en de te hanteren uitgangspunten.

Als uitgangspunt voor de waardering van de nalatenschap, waartoe ook behoort hetgeen door de erflater was ingebracht in de maatschap, zou de waarde going-concern worden aangehouden.

Op verzoek van de dochters is tevens de vraag worden opgenomen of sprake was van een rendabel bedrijf.

Volgens de dochters was deze vraag van belang voor de waardebepaling omdat bij een niet rendabel bedrijf niet op basis van de agrarische waarde zou moeten worden gewaardeerd.

De rechtbank heeft de vraagstelling toegestaan maar zich nog niet uitgelaten over de consequenties van het antwoord op deze vraag.

Ouderlijke boedelverdeling. Maatschap. Voortzetting van bedrijf. Bedrijf rendabel? Taxatie. Waardebepaling. Going-concern-waarde?

De rechter oordeelt als volgt.

Moeder heeft bij akte na deskundigenbericht haar stelling herhaald dat de conclusie dat geen sprake was van een levensvatbaar en rendabel bedrijf, zoals door de deskundige verwoord niet strookt met het feit dat de onderneming wel tot 2015 is voortgezet.

De rechtbank stelt vast dat de deskundige geen beschikking heeft gekregen over (jaar)stukken van voor 2002 of van na 2003.

Terecht heeft de deskundige daarom zijn conclusie enkel gebaseerd, en ook enkel kunnen baseren, op de stukken die hem wel ter beschikking waren gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat moeder, nu zij zich kennelijk niet kon vinden in de conclusie van de deskundige, ten minste de gevraagde gegevens, voor zover nog beschikbaar, aan de deskundige had moeten overhandigen.

Hoewel moeder in een eerder stadium van de procedure al heeft aangegeven niet meer te beschikken over de jaarstukken voor 2002, had zij ten minste de beschikking kunnen en moeten hebben over de jaarstukken 2009 en verder, nu deze stukken immers bij aanvang van de procedure nog waren bewaard.

Nu de door de deskundige gebruikte gegevens niet door moeder zijn betwist en de conclusie van de deskundige logisch volgt uit zijn weergave, gaat ook de rechtbank ervan uit dat geen sprake was van een levensvatbaar en rendabel bedrijf.

Anders dan kennelijk de dochters menen, leidt dit volgens de rechtbank niet ertoe dat bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap moet worden uitgegaan van de liquidatiewaarde.

De vraag naar de rentabiliteit is toegevoegd op verzoek van de dochters omdat, aldus de dochters, enkel een levensvatbaar en rendabel bedrijf kon worden gewaardeerd op de agrarische waarde (de pachtwaarde).

De deskundige heeft uiteindelijk de waarde niet vastgesteld op grond van de pachtwaarde en de dochters hebben over de wijze van berekening geen verdere opmerkingen gemaakt zodat de rechtbank uitgaat van een juiste waarderingsmaatstaf door de deskundige.

De dochters hebben geen andere onderbouwing gegeven van hun kennelijke stelling dat de waarde van de nalatenschap moet worden vastgesteld op de liquidatiewaarde.

Gelet op het voorgaande had dit wel op hun weg gelegen, temeer nu noch het testament, noch de maatschapsakte aanknopingspunten bieden dat bij overlijden liquidatie van het bedrijf moet volgen.

Dat de maatschap als gevolg van het overlijden van een van de maten eindigt, zoals vastgelegd in artikel 11 van het maatschapscontract, houdt niet per definitie in dat daarmee ook de erfgenamen als eigenaar van de boerderij kunnen beslissen over de overname daarvan, zoals de deskundige veronderstelt in zijn rapport.

Integendeel, artikel 12 van het maatschapscontract geeft de zoon het recht in het geval van overlijden van erflater de zaken van de maatschap voort te zetten terwijl de moeder dan de mogelijkheid heeft het aandeel van haar overleden echtgenoot over te nemen en onder dezelfde condities als voorheen tot de nieuw op te richten maatschap toe te treden.

Bovendien heeft erflater in zijn testament alle goederen, waaronder zijn aandeel in de maatschap, toegedeeld aan moeder.

Moeder kon daarover dus zelfstandig beschikken zoals het haar goeddunkte, zonder gehouden te zijn de andere erfgenamen, meer in het bijzonder haar dochters, in die beslissing te betrekken.

Daar komt bij dat de maatschap ook daadwerkelijk langere tijd is voortgezet door moeder en zoon.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het vooroverwogene, moet worden uitgegaan van de waarde going-concern waarmee beide partijen tijdens de comparitie van 13 maart 2018 hebben ingestemd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.