Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een ouderlijke boedelverdeling en de vaststelling van de omvang en de opeisbaarheid van de vorderingen uit het testament.

Ter beantwoording staat nog vraag of de vorderingen van de erfgenamen opeisbaar zijn.

De erflater heeft in zijn testament bepaald dat deze vorderingen opeisbaar zijn indien

mijn echtgenote haar intrek neemt in een verzorgingshuis, bejaardenoord of verpleeghuis; en voor zover de niet-opeisbaarheid een succesvol beroep op een bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging of levensonderhoud in de weg staat”.

De rechter heeft in een tussenarrest geoordeeld dat voor beantwoording van de vraag of de vorderingen van de erfgenamen opeisbaar zijn van belang is of de langstlevende een CIZ-indicatie heeft op grond van aanvankelijk de AWBZ en thans de Wet Langdurige Zorg (WLZ) of enige andere wettelijke regeling waarbij de eigen bijdrage mede afhankelijk wordt gesteld van het inkomen en vermogen van de verzekerde.

Ouderlijke boedelverdeling. Voorwaarden in testament. Omvang en opeisbaarheid van de vorderingen. Zorg voor langstlevende echtgenoot.

De rechter oordeelt als volgt.

De langstlevende heeft tot 1 januari 2015 zorg ontvangen op grond van de AWBZ. De zorg werd vergoed op grond van de AWBZ. De langstlevende was een eigen bijdrage verschuldigd die afhankelijk was van haar eigen inkomen. Zij huurt een appartement van de stichting die aan haar ook zorg verleent en diensten verricht. Deze kosten worden niet door de overheid op grond van de AWBZ, de WMO of de WLZ aan haar vergoed als kosten voor verblijf in een verzorgings- of verpleeghuis.

Omdat zij alles zelf betaalt, hoeft zij uiteraard daarvoor geen eigen bijdrage te betalen. Er is geen indicatiebesluit dat strekt tot opname in een verzorgings- of verpleeghuis. Wel worden de kosten van persoonlijke verzorging en verpleging door de overheid vergoed, aanvankelijk op grond van de AWBZ en op grond van de WMO en is zij daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd.

De rechter overweegt dat tussen de erfgenamen vaststaat dat erflater met de opeisbaarheidsgrond die hier aan de orde is wil voorkomen dat de langstlevende echtgenoot eerst moet interen op haar vermogen alvorens zij aanspraak kan maken op een bijdrage van overheidswege.

Indien de langstlevende met een indicatiebesluit zou zijn opgenomen in een ‘normaal’ verzorgings- of verpleeghuis, zouden de kosten daarvan door de overheid zijn vergoed en zou zij een eigen bijdrage hebben moeten betalen die onder meer afhankelijk is van haar vermogen en die lager zou kunnen worden doordat zij de vorderingen van de erfgenamen zou voldoen.

In dat geval zou aan de tweede voorwaarde van opeisbaarheid zijn voldaan (“en voor zover de niet-opeisbaarheid een succesvol beroep op een bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging of levensonderhoud in de weg staat”.).

Maar de langstlevende echtgenoot maakt geen aanspraak op een overheidsvergoeding voor de kosten van ‘intrek’ in een verzorgings- of verpleeghuis.

Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin de niet-opeisbaarheid van de vorderingen een succesvol beroep op een overheidsbijdrage in de kosten van verzorging en levensonderhoud in de weg staat.

Dat zij geen aanspraak heeft op een overheidsvergoeding komt doordat zij niet in de situatie verkeert dat zij daarop aanspraak kan doen gelden en niet doordat de vorderingen van de erfgenamen niet-opeisbaar zijn.

Om dezelfde reden is ook geen sprake van de situatie die erflater wilde voorkomen, te weten dat de langstlevende echtgenoot eerst moet interen op haar vermogen voordat zij zo’n aanspraak op een overheidsvergoeding zou kunnen doen gelden.

Dat is voor de kosten van persoonlijke verzorging en verpleging die de overheid vergoedt, aanvankelijk op grond van de AWBZ en vanaf 2015 op grond van de WMO, niet anders.

Niet is immers komen vast te staan in hoeverre deze ten opzichte van het inkomen van de langstlevende relatief lage eigen bijdragen kunnen leiden tot intering op het vermogen van de langstlevende en het risico meebrengen dat de vorderingen van de erfgenamen niet meer kunnen worden voldaan.

Deze vergoedingen staan bovendien ook los van de intrek in een verzorgings- of verpleeghuis en zouden ook zijn betaald, indien de langstlevende niet in een appartement van de stichting zou hebben gewoond.

De rechter komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat de vorderingen van de erfgenamen nog niet opeisbaar zijn.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een ouderlijke boedelverdeling, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.