Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een vordering uit een ouderlijke boedelverdeling wel of niet was verjaard.

De grief is in de kern gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de (mogelijke) vordering van appellant uit onderbedeling in de nalatenschap van moeder in 2013 is verjaard.

Appellant betoogt dat zijn vordering uit onderbedeling, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet opeisbaar werd door het overlijden van vader maar eerst door het overlijden van stiefmoeder.

De verjaringstermijn vangt derhalve eerst aan na overlijden van stiefmoeder in 2015, aldus de advocaat van appellant.

Ouderlijke boedelverdeling. Vordering uit onderbedeling. Wanneer was de vordering opeisbaar? Is de vordering verjaard?

Hof oordeelt als volgt.

De vordering uit onderbedeling, ontstaan uit de ouderlijke boedelverdeling, in de nalatenschap van moeder was opeisbaar op het moment van overlijden van vader, dit volgt uit het testament van 1973 van moeder.

Het standpunt van appellant dat de verjaringstermijn eerst aanvangt na overlijden van stiefmoeder in 2015, gaat zo blijkt uit het hierna volgende, niet op.

Aan voornoemd standpunt heeft appellant de brief van 7 februari 1993 ten grondslag gelegd.

Volgens appellant volgt uit die brief dat hij de onderbedelingsvordering niet zal opeisen na overlijden van vader.

Een vordering uit onderbedeling van appellant in de nalatenschap van moeder op de nalatenschap van vader is naar het oordeel van het hof in die brief niet genoemd.

In de akte Boedelbeschrijving/verdeling/afgifte legaat van 13 april 1995, waarin de omvang van de nalatenschap van vader is vastgelegd en waarbij de schulden in de nalatenschap van vader zijn opgenomen, is evenmin een vordering uit onderbedeling in de nalatenschap van moeder op de nalatenschap van vader opgenomen.

Appellant betoogt evenwel dat stiefmoeder en de notaris hebben willen benadrukken dat hij zijn vordering uit onderbedeling niet zou opeisen, daar zij aan hem op 13 april 1995 een verklaring van stiefmoeder van 13 april 1995 met daaraan gehecht voornoemde brief van 7 februari 1993 hebben verstrekt.

De brief van 7 februari 1993 verwijst, zo betoogt appellant, naar het testament van stiefmoeder uit 1982, zodat stiefmoeder en de notaris de verwachting hebben gewekt dat dit nog van kracht zou zijn en, naar het hof begrijpt, appellant erfgenaam van stiefmoeder was.

Dit betoog gaat evenwel niet op. De verklaring van 13 april 1995 verwijst niet naar de brief van 7 februari 1993 maar naar de akte van boedelbeschrijving en verdeling van 13 april 1995 en naar een codicil van 1 maart 1993, welk codicil de daarin genoemde roerende zaken voor dochter van appellant betreft.

Stiefmoeder verklaart zich tegenover dochter verplicht tot naleving van dat codicil. Uit de aanhechting van de brief van 7 februari 1993, waarin eveneens melding wordt gemaakt van voor dochter bestemde roerende zaken, had appellant moeten begrijpen dat het stiefmoeder er (slechts) om ging dat zij rekening zou houden met de wens van vader dat die zaken voor dochter zouden zijn.

Uit de redactie van de verklaring van stiefmoeder, gelezen in samenhang met zowel het codicil als de brief van 7 februari 1993, kan daaruit niet worden afgeleid dat stiefmoeder met die verklaring ook bedoelde dat het testament van 1982 nog van kracht zou zijn.

Gezien het voorgaande heeft appellant onvoldoende onderbouwd dat stiefmoeder en de notaris bij hem de verwachting hebben gewekt dat het testament van stiefmoeder uit 1982 nog van kracht zou zijn en dat zij hebben willen benadrukken dat hij zijn vordering uit onderbedeling niet zou opeisen vóór het overlijden van stiefmoeder.

Evenmin heeft appellant voldoende onderbouwd dat stiefmoeder bewust een vordering uit onderbedeling van appellant onvermeld heeft gelaten in de akte van ‘Boedelbeschrijving/verdeling/afgifte legaat’ van 13 april 1995 en dat daarom van een langere verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:321 lid 1 onder f BW dient te worden uitgegaan, dan wel dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De schulden van de nalatenschap zijn in de akte ‘Boedelbeschrijving/verdeling/afgifte legaat’ geïnventariseerd, de deelgenoten (waaronder appellant) hebben de verdeling te zijnen/haren bate of schade aanvaard, terwijl appellant niet voldoende heeft onderbouwd dat hij er daarbij op mocht vertrouwen dat het testament van stiefmoeder uit 1982 nog van kracht zou zijn.

Aan het voorgaande doet niet af dat de akte door een andere notaris is opgemaakt dan de notaris die, voor het overlijden van vader de huisnotaris van vader was. Bij het voorgaande komt dat stiefmoeder, hoewel zij daartoe niet verplicht was, effecten uit de nalatenschap van vader heeft geleverd aan appellant.

Ten aanzien van het betoog van appellant dat de verjaring van zijn vordering uit onderbedeling is gestuit overweegt het hof als volgt.

Eerst bij pleidooi heeft appellant een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat vaststaat dat de verjaringstermijn niet tijdig is gestuit.

De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in geval van incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd.

Van de zijde van de notaris is bezwaar gemaakt tegen deze nieuwe grief en de daarbij behorende eerst bij pleitnota overgelegde producties, terwijl van de in de jurisprudentie aanvaarde uitzonderingen op deze in beginsel strakke regel geen sprake is (HR 23 september 2011, HR:2011:BQ7064). Het hof passeert de grief.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over een ouderlijke boedelverdeling of over de opeisbaarheid en de verjaring van een vordering in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.