Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Limburg heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de verwerping van een erfenis namens een minderjarige. Was een vereffening van de nalatenschap noodzakelijk? De rechter geeft een aanwijzing over de verdere afwikkeling van de erfenis.

Uit de stukken blijkt dat drie erfgenamen van de erflater bij akte van 19 augustus 2016 de nalatenschap van de erflater hebben verworpen, dat de erflater niet bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt en dat de passiva van de nalatenschap € 112.670,68 en de activa € 589,19 bedragen.

Verder blijkt dat bij beschikking van de kantonrechter van 21 oktober 2016 op verzoek van de verzoekster en te haren behoeve machtiging is verleend om voor en namens de minderjarige de nalatenschap van de erflater te verwerpen, dat verzoekster dat verzoek binnen de in art. 4:193 lid 1 BW vermelde termijn heeft gedaan en dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verwerping om financiële redenen in het belang van de minderjarige was.

Verwerping van een nalatenschap namens een minderjarige. Vereffening noodzakelijk? Aanwijzing door de rechter.

De rechter oordeelt als volgt.

Het bevreemdt de kantonrechter dat verzoekster heeft verklaard dat zij nooit iets met de nalatenschap van de erflater heeft gedaan aangezien verzoekster de aangeleverde boedelbeschrijving heeft ondertekend “ten deze handelend als executeur-testamentair” terwijl bovendien uit het CTR register blijkt dat de erflater geen testament heeft gemaakt.

Gelet op de inlichtingen van het CTR gaat de kantonrechter er echter van uit dat in de onderhavige zaak sprake is van erfopvolging bij versterf.

Verzoekster had in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige vanaf (in ieder geval) het moment van overlijden van de erflater drie maanden de tijd om – met machtiging van de kantonrechter – een verklaring van verwerping af te leggen.

Verzoekster heeft weliswaar binnen deze termijn aan de kantonrechter verklaard dat zij de nalatenschap namens de minderjarige wilde verwerpen en haar is daartoe machtiging verleend, maar heeft vervolgens (volgens verzoekster door gebrek aan kennis) verzuimd die verklaring van verwerping af te leggen.

Strikte toepassing van artikel 4:193 lid 1 en 2 BW zou ertoe leiden dat de nalatenschap als door de minderjarige, in zijn hoedanigheid van erfgenaam, beneficiair aanvaard geldt.

Gelet op de inhoud van de aangeleverde boedelbeschrijving, met name de geringe activa, is het hoogst waarschijnlijk dat de vereffeningskosten de activa binnen afzienbare tijd zouden overtreffen en er opheffing van de vereffening van de nalatenschap (art. 4:209 BW) zou worden verzocht waarbij de crediteuren van de nalatenschap geen uitkering zouden kunnen verwachten.

Mede gelet op de belangen van de crediteuren doch in het bijzonder gelet op de bescherming die art. 4:913 BW beoogt te bieden aan een minderjarige, acht de kantonrechter het een onwenselijk gevolg indien de minderjarige door onkunde van een meerderjarige de nalatenschap dient te laten vereffenen als bedoeld in art. 4:202 e.v. BW.

Aangezien de beschikking van de kantonrechter van 21 oktober 2016 gezag van gewijsde heeft, acht de kantonrechter het in het belang van de minderjarige om aan verzoekster de volgende aanwijzingen te geven:

1) zij, verzoekster, dient er voor zorg te dragen dat de verklaring om te verwerpen binnen een maand na deze beslissing bij de Centrale balie van deze rechtbank voor en namens de minderjarige wordt gedaan en

2) zij, verzoekster, dient de kantonrechter een afschrift van de zogenoemde akte verwerping aan te leveren.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de taken en bevoegdheden van een executeur of over het verwerpen van een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.