De Rechtbank Noord-Holland heeft op 15 juli 2019 uitspraak gedaan over het verzorgingsvruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot en over de verzorgingsbehoefte. Was er reden om het vruchtgebruik op te heffen?

Bij testament van 21 februari 2017 heeft erflater verzoekster in het testament uitgesloten als erfgenaam.

Als gevolg van de uitsluiting van erfstelling in het testament zijn op grond van de wet erfgenaam de beide zusters van erflater.

De advocaat van verzoekster stelt dat de onterfde echtgenote recht heeft op vestiging van het vruchtgebruik op de echtelijke woning.

De op artikel 4:29 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gebaseerde aanspraak op dit vruchtgebruik staat in beginsel los van enige verzorgingsbehoefte.

Deze behoefte wordt verondersteld aanwezig te zijn.

Afgezien daarvan bestaat bij de langstlevende deze behoefte, aangezien zij zelf niet over eigen woonruimte beschikt, zij op verzoek van erflater is gestopt met werken, thans bezig is met opbouwen van werkzaamheden, maar slechts over een nul-uren contract beschikt, en uit dien hoofde circa € 900,00 per maand verdient.

Wanneer dit verzoek op vruchtgebruik wordt afgewezen, bestaat bij de langstlevende behoefte op vestiging van een vruchtgebruik over het vermogen van erflater ex artikel 4:30 BW.

In dat geval heeft zij tevens behoefte aan de mogelijkheid om op dit vermogen in te teren.

In het kader van de afwikkeling van de ontbinding van het huwelijksvermogen en de nalatenschap van erflater is van belang dat wordt vastgesteld dat de woning tot de gemeenschap van de langstlevende en erflater behoort.

Verzorgingsvruchtgebruik en verzorgingsbehoefte. Opheffing van het vruchtgebruik?

De rechter oordeelt als volgt.

Met betrekking tot het vruchtgebruik ex artikel 4:29 BW wordt als volgt overwogen.

De rechter acht het verzoek van de langstlevende tot vestiging van het vruchtgebruik toewijsbaar.

Redengevend voor dit oordeel is, dat bij de huidige stand van zaken, van de aanwezigheid van de voor dit vruchtgebruik vereiste verzorgingsbehoefte vooralsnog moet worden uitgegaan.

Het mag zo zijn dat de langstlevende in de toekomst een bedrag van circa € 670.000,00 ontvangt vanwege de verdeling van het door haar en erflater opgebouwde huwelijksvermogen, maar van enig zicht op uitkering van dit bedrag is thans niet gebleken.

Integendeel, zolang de verschillen van mening tussen partijen over de wijze van afwikkeling blijven bestaan, is uitkering op korte termijn van dit bedrag niet te verwachten.

Mede gelet op de verzorgingsgedachte die ten grondslag ligt aan artikel 4:29 BW en het belang van de langstlevende echtgenoot bij vestiging van het op dit artikel gebaseerde vruchtgebruik, kan het toekomstige vooruitzicht op uitkering van een substantieel geldbedrag in dit geval niet afdoen aan de actuele verzorgingsbehoefte van de langstlevende .

Dit oordeel en de navolgende hierop gebaseerde beslissing doet niet af aan de mogelijkheid dat na voltooiing van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap geen verzorgingsbehoefte (meer) bestaat en continuering van het vruchtgebruik niet langer geboden is.

Om deze reden zal de rechter in de beslissing niet uitgaan van een “levenslang” vruchtgebruik.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot opheffing van de verplichting tot medewerking aan de vestiging van enig vruchtgebruik wordt afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over vruchtgebruik in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.