De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 mei 2020 uitspraak gedaan over een verzoek tot het vestigen van een vruchtgebruik van een woning uit een nalatenschap.
Eiseres verzoekt om de vestiging van een levenslang recht van vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:30 BW op de andere goederen van de nalatenschap waaronder de banksaldi.
Erfrecht. Vruchtgebruik van een woning. Verzorgingsvruchtgebruik. Langstlevende echtgenoot. Behoefte. Bewijslast.
De rechter oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 4:29 lid 1 BW zijn erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik ten behoeve van de echtgenoot van de erflater op de tot diens nalatenschap behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, voor zover de echtgenoot van de erflater ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is tot die woning en voor zover de echtgenoot dit van de erfgenamen verlangt.
Ingevolge artikel 4:30 lid 1 BW zijn erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 4:29 BW ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover de echtgenoot daaraan behoefte heeft en die medewerking van hen verlangt.
Voornoemde verplichtingen gelden echter niet voor zover de kantonrechter op een daartoe strekkend verzoek artikel 4:33 lid 2 onder a BW heeft toegepast.
De kantonrechter kan op de voet van artikel 4:33 lid 2 onder a BW, voor zover de echtgenoot, de omstandigheden in aanmerkingen genomen, voor zijn verzorging aan het vruchtgebruik geen behoefte heeft, op verzoek van een rechthebbende de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik opheffen.
In lid 5 van dit artikel zijn criteria vermeld waarmee de kantonrechter bij de toepassing van lid 2 in ieder geval rekening houdt, te weten:
- de leeftijd van de echtgenoot;
- de samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort;
- de mogelijkheid van de echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen;
- hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de rechten van afdeling 2 Boek 4 BW (“Andere wettelijke rechten”) dienen als vangnet voor personen wier verzorging niet of onvoldoende gewaarborgd is (zie ook Hoge Raad, 8 juni 2007, HR:2007:BA2507).
De artikelen 4:29 en 4:30 BW bieden de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid om van de erfgenamen (of legatarissen) te verlangen dat zij bepaalde nalatenschapsgoederen aan de echtgenoot in vruchtgebruik geven.
Voor beide artikelen is de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot maatgevend, omdat de kantonrechter het vruchtgebruik op verzoek van de erfgenamen (of andere rechthebbenden) kan beëindigen voor zover de echtgenoot daaraan voor zijn verzorging geen behoefte heeft (artikel 4:33 lid 2 BW).
Voor de omvang van de verzorgingsbehoefte kan er van uit worden gegaan dat de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken op een passende voorziening, maar dat is niet hetzelfde als een aanspraak om onder alle omstandigheden het leefpatroon van voorheen voort te zetten.
Het gaat hier om een vangnet voor het geval door een erflater of anderszins onvoldoende in de verzorging van diens echtgenoot is voorzien.
De omvang kan in elk concreet geval verschillen, waarbij de wettelijke maatstaven omtrent het verschaffen van levensonderhoud tussen gewezen echtgenoten een oriëntatiepunt kunnen vormen.
Eiseres voert aan dat zij voor haar verzorging behoefte heeft aan de vestiging van dit vruchtgebruik omdat zij niet over voldoende inkomsten beschikt.
Gedaagde betwist de verzorgingsbehoefte van eiseres.
Eiseres heeft, voor het geval de verzorgingsbehoefte wordt betwist, een beroep gedaan op artikel 22 Rv en/of artikel 843a ten aanzien van de administratie van erflater.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft eiseres na ontvangst van het verweerschrift met daarbij een groot aantal bescheiden uit de administratie van erflater niet langer belang bij dit verzoek.
Het had voor de hand gelegen indien eiseres, voor zover zij nog stukken uit de administratie miste, haar verzoek nader te concretiseren.
Zoals hiervoor overwogen is voor de bepaling van de behoefte van eiseres aan een verzorgingsvruchtgebruik het (gezamenlijke) inkomen ten tijde van het huwelijk van eiseres met erflater niet zonder meer beslissend en kan zij geen aanspraak maken op voortzetting van het leefpatroon dat zij voorheen met erflater had, maar slechts op een ‘passende voorziening’.
Bij het bepalen van de verzorgingsbehoefte van eiseres kunnen de wettelijke maatstaven omtrent het verschaffen van levensonderhoud tussen gewezen echtgenoten een oriëntatiepunt vormen.
Wel kan aansluiting worden gezocht bij de regels voor het bepalen van levensonderhoud na een huwelijk, waarbij het welstandsniveau ten tijde van het huwelijk bij het bepalen van de behoefte een rol speelt.
Daarbij geldt verder dat eiseres het bestaan van haar verzorgingsbehoefte aannemelijk dient te maken (artikel 4:30 lid 1 BW jo. artikel 150 Rv).
Eiseres heeft gesteld dat zij een AOW voor alleenstaanden en een nabestaandenpensioen ontvangt van € 1.805,55 netto per maand (exclusief zorgtoeslag, door eiseres berekend op € 47,00).
Voorts staat tussen partijen vast dat erflater bij leven geldbedragen aan eiseres heeft voldaan om in haar onderhoud te voorzien.
Het vermogen van eiseres bedraagt (per 1 januari 2017) € 82.122,00.
Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat eiseres, gelet op het (levenslange) vruchtgebruik van een woning, geringe woonlasten heeft.
De kosten die eiseres maakt in verband met een auto van haar dochter zijn naar het oordeel van de kantonrechter geen kosten van levensonderhoud van eiseres zelf, te meer niet nu uit het overzicht van lasten blijkt dat eiseres ook een OV-kaart met abonnement heeft en ook niet is onderbouwd dat eiseres geen gebruik kan maken van openbaar vervoer.
Haar maandelijkse lasten, zoals opgegeven door eiseres dienen derhalve met een bedrag van € 107,77 verminderd te worden, zodat de huidige maandelijkse (vaste) lasten van eiseres geen € 1.010,61 bedragen, maar € 902,84.
Het onderhoud aan tuin en woning (als stelpost) is naar het oordeel van de kantonrechter met een bedrag van € 225,00 per maand hoog ingeschat en bovendien niet nader onderbouwd.
De kantonrechter schat deze kosten op hooguit € 125,00 per maand.
De totale maandelijkse lasten worden daarmee nog lager.
Gelet op genoemd inkomen (€ 1.852,55) en de feitelijke behoefte (€ 802,84) is er naar het oordeel van de kantonrechter geen reden om een levenslang vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29 BW of 4:30 BW te vestigen.
Ook bij de berekening van de behoefte volgens de zogenaamde ‘hofnorm’ geldt dat eiseres ruimschoots in haar eigen behoefte kan voorzien.
Tussen partijen staat immers vast, gelet op de aangifte IB over 2017 van erflater en eiseres dat erflater en eiseres samen een netto besteedbaar inkomen van € 2.562,00 hadden.
Het huidige inkomen van eiseres is hoger dan 60 % van het netto gezinsinkomen.
Eiseres heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij voor haar verzorging behoefte heeft aan het vruchtgebruik over de overige goederen van de nalatenschap.
Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de wilsrechten in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.