De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 april 2023 uitspraak gedaan over de omvang van het bezwaard vermogen bij een tweetrapsmaking in een testament. 

De erfgenamen voeren aan dat er ten tijde van het overlijden van erflater geen fideï-commis meer rustte op hetgeen erflater uit de nalatenschap van moeder heeft verkregen.

Erfrecht. Testament. Tweetrapsmaking. Fideï-commis. Omvang van het bezwaard vermogen. Vertering. Zaaksvervanging. Eigen vermogen. Stelplicht. Bewijslast. Overgangsrecht. Legitieme.

De rechter oordeelt als volgt.

Het bezwaarde vermogen

Beoordeeld dient te worden of sprake is van een bezwaard vermogen en of [eiseres in conventie] hierop aanspraak kan maken.

Bij de beoordeling gelden de volgende uitgangspunten.

Vastgesteld moet worden welke goederen eiseres als verwachter krijgt.

Hiertoe is van belang welke goederen bij aanvang tot het fideï-commis behoorden.

De verwachter die op de voet van artikel 3:215 lid 1 BW afgifte vordert van de goederen die tot het fideï-commissaire vermogen behoren, zal moeten stellen en bij betwisting moeten bewijzen dat hij recht heeft op afgifte van die goederen.

Vervolgens is van belang vast te stellen om welke goederen het gaat.

De verwachter beroept zich erop dat de bezwaarde bepaalde goederen aan hem moet afgeven, namelijk de goederen van de fideï-commissaire nalatenschap.

Ingevolge artikel 150 Rv moet de verwachter stellen en bewijzen welke goederen dat zijn en hoe de fideï-commissaire nalatenschap is samengesteld.

Indien de samenstelling van het fideï-commissaire vermogen bij het begin vaststaat, dient te worden vastgesteld wat het fideï-commissaire vermogen bij het einde is en welke goederen aan de verwachter moeten worden afgegeven.

Op grond van artikel 3:215 lid 1 BW kan de verwachter aanspraak maken op alle goederen die er in het begin waren en hetgeen daarvoor door zaaksvervanging in de plaats is getreden.

De bezwaarde moet vervolgens stellen en bewijzen dat goederen zijn verteerd of door toeval teniet zijn gegaan en dat bij vervreemding van goederen geen zaaksvervanging heeft plaatsgevonden.

Omvang van het bezwaarde vermogen

Eiseres stelt dat alle op het moment van overlijden van erflater aanwezige gelden en effecten bezwaard vermogen zijn.

De erfgenamen betwisten dit en voeren aan dat erflater op het moment van overlijden eigen vermogen had.

De erfgenamen stellen dat uit de opgave gelden van 5 maart 1968 blijkt dat erflater op het moment van overlijden van moeder effecten had.

Tussen partijen staat vast dat erflater voor het overlijden van moeder beschikte over een bescheiden uitkering en een betaalrekening waarop deze binnenkwam en waarvan de lasten werden voldaan.

Volgens eiseres beschikte erflater op dat moment niet over effecten en blijkt dit ook nergens uit.

Gelet hierop had het op de weg van de erfgenamen gelegen om hun verweer nader te onderbouwen.

De erfgenamen stellen echter geen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de op 5 maart 1968 aanwezige effecten op het moment van het overlijden van moeder nog in het bezit waren van erflater.

Zij stellen ook niet wat de waarde van deze effecten op het moment van overlijden van moeder was.

Het verweer dat erflater op het moment van overlijden van moeder (nog) beschikte over effecten is door de erfgenamen dan ook onvoldoende feitelijk onderbouwd.

Dit verweer wordt verworpen.

De erfgenamen voeren aan dat er ten tijde van het overlijden van erflater geen fideï-commis meer rustte op hetgeen erflater uit de nalatenschap van moeder heeft verkregen.

Uit artikel 4:140 lid 1 BW (dat in 2003 directe werking had) en uit artikel 4:138 lid 2 jo artikel 3:203 lid 3 BW (dat krachtens het overgangsrecht, artikel 132 Ow NBW, van toepassing werd in 2003) volgt dat als na dertig jaar na het overlijden van de insteller (moeder) de voorwaarde (overlijden van erflater) niet in vervulling is gegaan, het (voorwaardelijk) recht van de verwachter (eiseres) vervalt.

In 2018 zijn dertig jaar verstreken na het overlijden van moeder.

Dit verweer wordt verworpen.

Artikel 4:141 BW bepaalt immers dat de beperking die artikel 4:140 BW stelt aan voorwaardelijke makingen, te weten dat het voorwaardelijke karakter uiterlijk na 30 jaar aan de making komt te ontvallen, niet geldt als de making een fideï-commis is.

Dat de uitzondering van artikel 4:141 BW niet van toepassing is indien de verwachter een rechtspersoon is, zoals door de erfgenamen gesteld, volgt niet uit de wet.

Deze stelling van de erfgenamen is dus niet juist.

De erfgenamen voeren verder als verweer aan dat hetgeen erflater uit de nalatenschap van moeder heeft verkregen eigen vermogen betreft.

De erfgenamen stellen namelijk dat door de combinatie van de testamentaire bepalingen, het legaat van ƒ 1.500.000,00 (waardoor het erfdeel van erflater in waarde minder zou zijn dan haar wettelijke ¼ deel), de tweetrapsmaking en de instelling van een stringent testamentair bewind, de legitieme portie van erflater op verschillende gronden werd geschonden.

Daarom was vereist dat de kantonrechter toestemming verleende aan vader als curator om namens erflater in het testament te berusten.

Die toestemming is nooit door vader gevraagd.

Vader heeft er voor gekozen om de legitieme van erflater te respecteren.

Uit de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de overbedelingsvordering overeenkomstig de aangifte successierecht blijkt dat vader uitdrukkelijk de legitieme portie van erflater heeft gerespecteerd.

Uit het verslag van de laatste bespreking met de kantonrechter op 31 oktober 1989 volgt dat geen sprake is van testamentair bewind, omdat vader toestemming krijgt om het vermogensbeheer voort te zetten zoals hij altijd heeft gedaan.

Dit betekent dat erflater de onvoorwaardelijke aanspraak tot haar moederlijk erfdeel, vrij van bezwaren en beperkingen, conform de verklaring van erfrecht en toedeling heeft verkregen, aldus de erfgenamen.

Vaststaat dat in het testament van moeder een fideï-commis is opgenomen.

Op grond van het testament van moeder is hetgeen erflater uit haar nalatenschap heeft verkregen bezwaard vermogen.

Het ligt op de weg van de erfgenamen om gemotiveerd te stellen dat het fideï-commis niet geldt.

Dat er door vader namens erflater ondanks beweerde schending van haar legitieme is berust in het testament, doet niet af aan de rechtsgeldigheid van het testament en het daarin opgenomen fideï-commis.

Indien er niet zou zijn berust zou dit hoogstens relevant zijn voor de vraag of vader zijn taken als curator goed zou hebben uitgeoefend.

Dat vader namens erflater aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie, wordt door eiseres betwist en is onvoldoende feitelijk door de erfgenamen onderbouwd.

De door de erfgenamen gestelde omstandigheid dat vader de legitieme portie van erflater heeft gerespecteerd en er geen testamentair bewind is gevoerd, betekent immers niet dat vader namens erflater aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie.

De erfgenamen hadden hun verweer nader dienen te onderbouwen.

Dit geldt temeer nu het niet in de rede ligt dat vader het door moeder doelbewust in haar testament opgenomen fideï-commis ongedaan zou maken ten gunste van de versterferfgenamen van erflater.

De opzet van vader en moeder was nu juist om al hetgeen zij erflater nalieten door middel van een fideï-commis uiteindelijk aan eiseres te laten toevallen.

Het verweer van de erfgenamen wordt dan ook verworpen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.