De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de waardering van goederen uit de nalatenschap bij de vaststelling van de erfdelen uit een ouderlijke boedelverdeling.

Partijen zijn broers en zussen van elkaar.

Op 13 april 2004 is de vader van partijen (erflater) overleden.

Vader heeft bij testament van 4 mei 1984 over zijn nalatenschap beschikt.

Zijn testament bevat een zogenaamde ‘ouderlijke boedelverdeling’ ex artikel 4:1167 van het oude Burgerlijk Wetboek (hierna ook: OBV).

Hij heeft zijn echtgenote en kinderen tot zijn enig erfgenamen benoemd, voor gelijke delen.

Partijen vorderen over en weer de verdeling van de nalatenschap van moeder.

Daarvoor dient onder meer te worden vastgesteld wat de hoogte is van de OBV-vordering die de kinderen op moeder hebben uit de nalatenschap van vader.

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Ouderlijke boedelverdeling. Boedelbeschrijving. Waardering. Onroerend goed. Peildatum. Uitvaartkosten. Rente over erfdelen. Inboedel.

De rechter oordeelt als volgt.

Verdeling dient in beginsel te gebeuren aan de hand van een boedelbeschrijving.

Ondanks de opdracht aan partijen bij de mondelinge behandeling om een dergelijke waardering van de goederen en de schulden van de nalatenschap in het geding te brengen, zijn partijen er kennelijk niet in geslaagd in onderling overleg een boedelbeschrijving te op te stellen.

Gedaagden hebben een door hen opgestelde boedelbeschrijving van de nalatenschap van vader in het geding gebracht en die van de nalatenschap van moeder.

Eiser heeft de juistheid daarvan gemotiveerd betwist.

De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf een overzicht van de goederen en schulden van de nalatenschap van moeder op te stellen.

Vast staat dat de schulden van de nalatenschap inmiddels zijn voldaan, behoudens de schuld die moeder aan partijen had uit de ouderlijke boedelverdeling.

De nalatenschap is in zoverre gereed voor verdeling.

Om de OBV-vorderingen te bepalen, moet worden vastgesteld wat de omvang van de nalatenschap van vader was op het moment van zijn overlijden, 13 april 2004.

Partijen verwijzen daarbij met name naar het fiscaal rapport over de vermogenspositie van vader in 2004.

Eiser heeft betoogd dat niet uitgegaan kan worden van de gegevens in de aangifte erfbelasting vader, omdat deze gegevens niet corresponderen met de gegevens in dat rapport.

De rechtbank zal de waarde van het appartement op de datum van overlijden van vader stellen op een bedrag van € 239.361,00.

Daarbij overweegt zij dat eiser voldoende heeft onderbouwd dat het appartement meer waard was dan de door gedaagden genoemde woningen.

Ook wordt meegewogen dat gedaagden de waarde aanvankelijk eveneens hebben gesteld op het bedrag van € 239.361,00, maar dat zij daarop terug zijn gekomen zonder deugdelijke motivering.

Bij de inboedel geldt dat bij de waardering van inboedelgoederen onderscheid gemaakt moet worden tussen gebruikswaarde, emotionele waarde en economische waarde.

Veel inboedelgoederen hebben wel gebruikswaarde of emotionele waarde, maar nauwelijks tot geen waarde in het economisch verkeer.

Dat laatste geldt naar het oordeel van de rechtbank voor een groot deel van de door eiser opgesomde zaken.

Maar zouden deze zaken of de door eiser genoemde munten- en postzegelverzameling nog een zekere waarde vertegenwoordigen, zoals hij stelt, dan was het aan hem daarvan bewijs te leveren.

Artikel 4:7 BW bepaalt dat tot de schulden van de nalatenschap behoren de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

Voor de vraag of de kosten voor rekening komen van de nalatenschap is dus niet van belang of die kosten al dan niet in overleg met eiser zijn gemaakt.

Gesteld noch gebleken is dat de gemaakte kosten niet in overeenstemming zijn met de omstandigheden van vader.

Er bestaat dan ook geen aanleiding op de uitvaartkosten van vader te beknibbelen.

Over de erfdelen is ingevolge het testament van vader een enkelvoudige rente verschuldigd van 4 % per jaar tot aan het moment van uitbetaling.

Gedaagden hebben aangevoerd dat die rente berekend moet worden tot en met 4 mei 2018, omdat op die datum aan partijen elk een bedrag van € 30.000,00 is uitbetaald.

Die betaling moet volgens hen gezien worden als betaling van de vordering van de kinderen uit hoofde van de OBV-vordering op moeder.

Eiser heeft dit betwist en aangevoerd dat zolang de vordering niet is vastgesteld, zij niet kan worden uitbetaald.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de betaling van het bedrag van € 30.00,00 aan elk van de kinderen geen sprake geweest van betaling van de OBV-vordering.

De aan partijen uitbetaalde bedragen zijn steeds aangemerkt als een voorschot op het erfdeel en niet als voldoening van een vordering.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.