Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of er rekening en verantwoording diende te worden afgelegd over het financiële beheer van het vermogen van erflaatster door een erfgenaam.
Vader en moeder hebben bij testamenten van 28 juni 1979 over hun nalatenschap beschikt.
Deze hielden in een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling.
Vader is overleden op 24 oktober 2013, moeder op 17 december 2017.
Appellante en geïntimeerden zijn gezamenlijk wettelijk vereffenaar in de nalatenschap van moeder.
Met de grief bestrijdt appellante het rechtbankoordeel dat geïntimeerde 3 alleen rekening en verantwoording moet afleggen als appellante slaagt in het bewijs van haar stelling dat moeder ten tijde van de verlening althans het gebruik van de volmacht door geïntimeerde 3 niet meer in staat was haar wil te bepalen.
Met de grief keert appellante zich tegen de rechtbankoverwegingen dat, kort samengevat dat moeder nooit onder bewind of curatele is gesteld, dat moeders wilsbekwaamheid kennelijk nooit is beoordeeld, dat de bereikte dementiefase wellicht een aanwijzing vormt dat moeder de gevolgen van haar handelen niet meer kon overzien maar appellante niet is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat moeder ten tijde van de verlening althans het gebruik van de volmacht door geïntimeerde 3 niet meer in staat was haar wil te bepalen.
Erfrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Rekening en verantwoording over gevoerd financieel beheer? Wilsbekwaamheid. Dementie. Stelplicht en bewijslast. Bewijsopdracht.
De rechter oordeelt als volgt.
Voor zover appellante betoogt dat geïntimeerde 3 tegenover haar mede-erven rekenplichtig is om de enkele reden dat moeder toen in een kwetsbare en afhankelijke positie verkeerde, volgt het hof haar daarin niet.
Geïntimeerde 3 kan wel rekenplichtig zijn bij juistheid van de daaraan door appellante ten grondslag gelegde stellingname dat geïntimeerde 3 sinds het overlijden van vader steeds het financieel beheer over moeders RABO- en ABNAMRO-rekeningen heeft gevoerd, terwijl moeder door haar geestelijke gezondheidstoestand toen niet in staat was om zelf haar eigen wil te bepalen en over haar bankzaken te beschikken.
Geïntimeerden erkennen dat geïntimeerde 3 met grote regelmaat pin-opnames en overboekingen van die beide bankrekeningen naar zichzelf heeft gedaan en weerspreken niet (voldoende) dat geïntimeerde 3 sinds vaders overlijden feitelijk de beheershandelingen over moeders bankrekeningen heeft uitgevoerd, zij het dat geïntimeerden dit rechtvaardigen met de bewering dat geïntimeerde 3 het steeds in overleg althans met instemming van de wilsbekwame moeder heeft gedaan.
Hiermee spitst dit partijdebat zich toe op de door geïntimeerden weersproken stelling van appellante dat moeder (in ieder geval) sinds het overlijden van vader door haar geestelijke gezondheidstoestand niet in staat was om zelf haar eigen wil te bepalen en daardoor niet in staat was over haar bankzaken te beschikken.
Nu appellante de rechtsgevolgen van die betwiste stelling inroept, rust op appellante de bewijslast van die stelling.
Reeds omdat dit niet volledig overeenstemt met de door de rechtbank aan appellante verstrekte bewijsopdracht, zal het hof appellante tot dat bewijs toelaten.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.