Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 21 juni 2022 uitspraak gedaan over de vraag of er sprake was van een erfrechtelijke verkrijging bij een samenstel van rechtshandelingen.
De moeder van de vrouw is in 2000 overleden.
Haar overlijden leidde er niet toe om testamentair of anderszins vast te leggen dat de woning buiten de huwelijksgemeenschap van de vrouw zou vallen. Pas in 2007 droeg de vader zijn aandeel in de woning over aan zijn kinderen.
Als de vader had beoogd dat het door de vrouw te verkrijgen aandeel niet in de huwelijksgemeenschap zou vallen, had dit uitdrukkelijk in de akte van levering moeten zijn opgenomen.
De omstandigheid dat de vrouw slechts eenmaal de notaris heeft bezocht, betekent niet dat de strekking van de verschillende rechtshandelingen was dat de vrouw het verkregen aandeel in de woning onder uitsluitingsclausule zou verkrijgen.
Bovendien blijkt uit de feitelijke gang van zaken dat de vrouw en haar broer twee keer de notaris hebben bezocht.
Op 11 mei 2007 heeft de vrouw enkel de helft van het aandeel van de vader in de woning verkregen en is slechts € 4.412,- kwijtgescholden onder uitsluitingsclausule.
Tegenover de verkrijging stond dus nog een restschuld van € 23.588,–.
Die schuld viel op dat moment in de huwelijksgemeenschap.
In de jurisprudentie waarnaar de vrouw verwijst, vond het samenstel van rechtshandelingen plaats op één dag.
Daarvan is in deze zaak echter geen sprake.
Doordat de schuld pas bij de kwijtscheldingsverklaring van 19 februari 2008 is kwijtgescholden onder uitsluitingsclausule, heeft de vrouw op dat moment een vergoedingsrecht op de gemeenschap op grond van art. 1:196 lid 4 BW verkregen.
Haar vordering vanwege dit vergoedingsrecht is echter verjaard (art. 3:321 BW in verbinding met art. 3:320 BW) (hof: zie grief 3 van de man).
Erfrecht. Huwelijksvermogensrecht. Nalatenschap. Erfrechtelijke verkrijging? Uitsluitingsclausule. Kwijtschelding. Samenstel van rechtshandelingen.
De rechter overweegt als volgt.
In geschil is of het aandeel van de vrouw in de woning dat zij van haar vader heeft verkregen (2/6 aandeel) in de huwelijksgemeenschap valt.
Niet in geschil is dat het aandeel in de woning dat de vrouw rechtstreeks uit de nalatenschap van haar moeder verkreeg (1/6 aandeel) in de huwelijksgemeenschap valt.
De vrouw heeft haar aandeel in de woning als volgt verkregen.
Door het overlijden van haar moeder verkreeg zij (net zoals haar broer) 1/6 aandeel in de woning. Haar vader verkreeg 4/6 aandeel in de woning.
Aan deze verkrijging door de vader, de vrouw en haar broer, was geen uitsluitingsclausule verbonden.
Op 11 mei 2007 (akte “verdeling nalatenschap”) is het aandeel van de vader in de woning verdeeld en geleverd aan de vrouw en haar broer.
Vanaf dat moment bezat de vrouw in totaal 1/2 aandeel (1/6 aandeel reeds verkregen + 2/6 aandeel geleverd door haar vader = 3/6) in de woning.
Haar broer bezat vanaf dat moment ook 3/6 aandeel in de woning.
De vanuit fiscaal opzicht vereiste verkrijgingsprijs van het aandeel van de vader bedroeg € 56.000,-.
De vrouw was de helft van dit bedrag (€ 28.000,-) aan haar vader verschuldigd.
In de akte “verdeling nalatenschap”, is hiervan een bedrag van € 4.412,- aan haar kwijtgescholden.
Aan die kwijtschelding is een uitsluitingsclausule verbonden.
Voor het resterende bedrag (€ 23.588,-) heeft de vader een geldlening aan de vrouw verstrekt.
Op 19 februari 2008 heeft de vader de restantschuld geheel aan de vrouw kwijtgescholden.
Aan die kwijtschelding is een uitsluitingsclausule verbonden.
Bij de beoordeling van de vraag of het aandeel van de vrouw in de woning tot de huwelijksgemeenschap behoort, stelt het hof het volgende voorop.
De vrouw is krachtens erfopvolging tot 1/6 van de ontbonden huwelijksgemeenschap van haar ouders gerechtigd.
Haar vader en haar broer waren ook krachtens erfopvolging ieder voor 1/6 tot die ontbonden huwelijksgemeenschap gerechtigd.
De vader ten slotte, is krachtens huwelijksvermogensrecht (boedelmening) tot de helft (3/6) van de ontbonden huwelijksgemeenschap gerechtigd.
Beide gemeenschappen (de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap) zijn bij de akte van verdeling d.d. 11 mei 2007 tegelijkertijd verdeeld (zie in die zin ook de AG in haar conclusie voor HR 8 september 2017, HR:2017:2274).
Het aandeel in de woning dat de vrouw heeft verkregen (door verdeling en levering door de vader) is de vrouw gaan houden onder dezelfde titels als waaronder de deelgenoten (de vrouw en haar vader en broer) dit tezamen vóór de verdeling hielden.
Dit betekent dat op 11 mei 2007 de vrouw haar totale aandeel in de woning van 6/12 voor 3/12 (waarvan 2/12 krachtens levering door haar vader, zij bezat reeds 2/12 aandeel in de woning krachtens erfrecht) houdt krachtens erfrecht en voor 3/12 krachtens huwelijksvermogensrecht.
Teneinde te kunnen oordelen dat het totale aandeel van de vrouw in de woning buiten de huwelijksgemeenschap van partijen valt, zoals de vrouw stelt (en de man betwist), dient de woning voor meer dan de helft door de vrouw te zijn verkregen krachtens een wijze van verkrijging waaraan een uitsluitingsclausule verbonden was.
Het gedeelte dat de vrouw krachtens erfopvolging van haar moeder verkreeg (2/12) is verkregen zónder uitsluitingsclausule.
Aan de levering door de vader van zijn aandeel in de woning aan haar, was geen uitsluitingsclausule verbonden.
Aan de kwijtschelding van de verkrijgingsprijs voor die levering is, in twee opeenvolgende akten/verklaringen (van respectievelijk 11 mei 2007 en 19 februari 2008), wél een uitsluitingsclausule verbonden.
In zijn beschikking van 8 september 2017 heeft de Hoge Raad ter beantwoording van de vraag of bij de verkrijging van een gedeelte mét en een gedeelte zónder uitsluitingsclausule, de verkregen goederen wel of niet in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap vallen, het volgende overwogen:
Art. 3:186 lid 1 BW, dat ook geldt bij de verdeling van een nalatenschap, bepaalt dat voor de overgang van het aan ieder van de deelgenoten toegedeelde een levering is vereist op dezelfde wijze als voor overdracht van het desbetreffende goed is voorgeschreven.
Dat is, wat betreft de verdeling van een nalatenschap, anders dan onder het tot 1992 geldende recht. Ingevolge art. 1129 (oud) BW werd de erfgenaam die een goed kreeg toebedeeld, geacht dit goed rechtstreeks (dus met wegdenken van de verkrijging door de gezamenlijke erfgenamen) in zijn geheel van de erflater te hebben verkregen, zonder dat daartoe een afzonderlijke leveringshandeling nodig was (vgl. HR 11 mei 1984, HR:1984:AG4810, NJ 1985/527 (Vier Huizen)).
De verdeling van een nalatenschap is onder het huidige recht (zoals elke verdeling) een rechtshandeling van de gezamenlijke erfgenamen (deelgenoten) die tot levering verplicht.
In die rechtshandeling kan mede een andere rechtshandeling besloten liggen, zoals een schenking van een deelgenoot aan een andere deelgenoot, aan welke schenking de voorwaarde kan worden verbonden dat hetgeen wordt verkregen buiten enige huwelijksgemeenschap zal vallen (art. 3:38 lid 1 BW en art. 1:94 lid 2, onder a, BW).
Art. 3:186 lid 2 BW staat daaraan niet in de weg.
Dat is niet anders indien het de verdeling betreft van een nalatenschap waaraan de erflater geen uitsluitingsclausule heeft verbonden.
Die bepaling houdt immers niet meer in dan dat een deelgenoot hetgeen hij (door verdeling en levering) verkrijgt, gaat houden onder dezelfde titel (waaronder begrepen: titels, zie voor een voorbeeld Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1298) als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.”
Dit betekent dat moet worden beoordeeld of in de rechtshandeling van verdeling waarbij de vader zijn aandeel in de woning (6/12 gedeelte krachtens huwelijksvermogensrecht en 2/12 gedeelte krachtens erfopvolging) aan de vrouw overdroeg mede een andere rechtshandeling lag besloten die ertoe leidt dat de woning krachtens een uitsluiting buiten de huwelijksgemeenschap van partijen valt.
De vraag die zich in dit verband voordoet is of de uitsluitingsclausule die in de kwijtschelding van 11 mei 2007 en 19 februari 2008 is opgenomen alleen ziet op de kwijtschelding van de verkrijgingsprijs of dat de uitsluitingsclausule ook ziet op de verkrijging van (een aandeel in) de woning.
Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof het volgende voorop.
De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 1 mei 2015 (HR:2015:1199) belang gehecht aan het samenstel van rechtshandelingen en de bedoeling die de ouders van de man in die zaak hebben gehad:
“Door onder deze omstandigheden doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de strekking van het samenstel van rechtshandelingen en te oordelen dat de tegenprestatie voor de overdracht van het perceel ten belope van het, onder de voorwaarde van uitsluiting, kwijtgescholden bedrag ten laste van het privévermogen van D is gekomen, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”
In tegenstelling tot de man is het hof van oordeel dat uit de gang van zaken zoals hiervoor omschreven, blijkt dat sprake was van een samenstel van rechtshandelingen dat tot doel heeft gehad de tegenprestatie die de vrouw aan haar vader was verschuldigd voor de verdeling van zijn aandeel in de woning geen deel te laten uitmaken van de huwelijksgemeenschap van partijen.
In die rechtshandeling van verdeling lag tegens de kwijtschelding van de verkrijgingsprijs besloten.
Dat aan de verdeling zelf geen uitsluitingsclausule was verbonden kan de vrouw daarom niet worden tegengeworpen.
Hoewel juist is dat sprake is van een kwijtschelding op twee momenten en daarbij sprake was van een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, maakt dit het voorgaande niet anders omdat dit tijdsverloop kan worden verklaard door de fiscale motieven (schenkings-vrijstelling) die aan dit tijdsverloop ten grondslag liggen en het de tweede kwijtschelding reeds in februari (aan het begin van het nieuwe – fiscale – jaar) 2018 plaatsvond.
De omstandigheid dat de vrouw – kennelijk – de uitsluitingsclausules niet eerder dan ten tijde van de echtscheidingsprocedure aan de orde heeft gesteld, staat er bovendien niet aan in de weg dat de vader reeds in 2007 de bedoeling had om met de kwijtschelding van de verkrijgingsprijs te bewerkstellingen dat het aandeel van de vrouw in de woning buiten de huwelijksgemeenschap zou vallen.
Dat volgt ook uit de twee aan de onderscheiden kwijtscheldingen verbonden uitsluitingsclausules.
Aan het feit dat de verdeling eerst in 2007, dus zeven jaar na het overlijden van de moeder, plaatsvond kan eveneens geen betekenis worden gehecht.
Voor de vraag of sprake is van een samenstel van rechtshandelingen dient de onderlinge samenhang tussen de uitsluitingsclausules die zijn verbonden aan de kwijtschelding van de verkrijgingsprijs en de verdeling te worden beoordeeld en niet het moment waarop de verdeling plaatsvond.
In voornoemde uitspraak van 1 mei 2015 sluit de Hoge Raad zich aan bij de heersende leer dat de regel van art. 1:124 lid 2 BW (oud) van overeenkomstige toepassing is op de wettelijke gemeenschap van goederen in de periode vanaf 1992 tot 2012.
Sinds 2012 is de regel van zaaksvervanging neergelegd in art. 1:95 lid 1 eerste volzin BW.
De Hoge Raad overweegt in voornoemde uitspraak: “Gelet op het voorgaande heeft het hof zijn vaststelling dat de koopsom voor het perceel voor meer dan de helft ten laste van het privévermogen van de man is gekomen terecht het rechtsgevolg verbonden dat het perceel geen deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap en om die reden niet voor verdeling in aanmerking komt.”
Het aandeel van de vrouw in de verkrijgingsprijs van haar aandeel in de woning is voor meer dan de helft ten laste gekomen van vermogen van de vrouw dat buiten de huwelijksgemeenschap van partijen valt.
Hieraan dient – met analoge toepassing van art. 1:124 (oud) BW – het rechtsgevolg te worden verbonden dat haar aandeel van 5/6 in de woning geen deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap en om die reden niet voor verdeling in aanmerking komt.
Hetgeen de man meer of anders heeft aangevoerd, ook in eerste aanleg, kan niet tot een ander oordeel leiden.
Aldus slaagt de grief.
Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre vernietigen en de vordering van de vrouw toewijzen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.