De Rechtbank Limburg heeft op 16 november 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er een gebruiksrecht op een woning uit de nalatenschap bestond en of de executeur bevoegd was om een vordering tot ontruiming in te stellen.

Eiseres is bij testament van 14 juli 2016 tot executeur benoemd van de nalatenschap van haar moeder.

De erfgenamen van moeder zijn haar drie kinderen: eiseres, en de niet in deze procedure betrokken broer.

De moeder van partijen is in 2019 overleden.

Tot het nog niet-verdeelde deel van nalatenschap van de moeder van partijen behoren een woning te A (verder te noemen: de woning) en enkele inboedelgoederen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het haar (exclusieve) taak als executeur van de nalatenschap van de moeder van partijen is om die nalatenschap te beheren.

Tot die beheerstaak behoort volgens eiseres de bevoegdheid tot het instellen van een vordering tot ontruiming van de woning door gedaagde.

Tevens komt volgens eiseres aan haar de bevoegdheid toe om te bepalen wie de woning mag bewonen.

Erfrecht. Kort geding. Verdeling van een nalatenschap. Recht op toedeling van een woning? Gebruiksrecht. Huur? Ontruiming? Bevoegdheden van de executeur. Beheer. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Voorop moet worden gesteld dat met de intrekking van gedaagde van haar oorspronkelijke vordering de vordering tot verdeling van de woning niet meer aan de orde is, zulks daargelaten of een dergelijke vordering in kortgeding al dan niet kan worden toegewezen en of het feit dat de broer, als thans nog mede-eigenaar van de woning, niet als partij betrokken is in deze procedure aan een eventuele veroordeling in de weg zou hebben gestaan.

Ter zitting is tussen partijen gedebatteerd over de vraag of gedaagde recht heeft op toedeling van de woning en, indien de woning niet aan haar zou worden toegedeeld, over de wijze waarop een verdeling door middel van een biedingsprocedure zou kunnen plaatsvinden.

Die debatten hebben plaatsgevonden in het kader van een minnelijke regeling en zijn niet relevant voor de beoordeling van de vorderingen zoals die op dit moment nog ter beantwoording voorliggen, zodat aan hetgeen partijen hebben verklaard over de wijze waarop de verdeling moet plaatsvinden geen belang toekomt.

Hetgeen door gedaagde is aangevoerd ter onderbouwing van haar gepretendeerde recht op toedeling van de woning komt echter indirect aan de orde bij de beoordeling van de vordering tot ontruiming.

In het kader van de beoordeling van vordering van de vordering is enkel van belang of eiseres gerechtigd is te vorderen dat gedaagde de woning ontruimt.

Gedaagde heeft allereerst betwist dat eiseres als executeur de bevoegdheid toekomt om het gebruiksrecht van de woning op te zeggen.

Bovendien is volgens gedaagde gesteld noch gebleken dat mede-deelgenoot, de broer, met die opzegging heeft ingestemd.

De voorzieningenrechter is anders dan gedaagde van oordeel dat eiseres als executeur wel degelijk de bevoegdheid toekomt om in het kader van het beheer dat zij over de nalatenschap heeft aan gedaagde het gebruiksrecht van de woning op te zeggen.

De beslissing tot het beëindigen van het gebruiksrecht behoort immers tot de exclusieve bevoegdheid van de executeur in het kader van zijn bevoegdheid tot het uitoefenen van het beheer over de nalatenschap.

Dat de broer niet met die opzegging zou hebben ingestemd, is feitelijk al onjuist, gelet op de inhoud van de brief en e-mail.

Bovendien heeft eiseres als enig executeur het recht om de nalatenschap als enige te beheren, zodat zij niet afhankelijk is van de toestemming van de broer.

Gedaagde erkent dat de bewoning geschiedt op basis van een gebruiksovereenkomst, zij het dat zij stelt dat dit een voortdurend – de voorzieningenrechter begrijpt dat bedoeld zal zijn voor onbepaalde duur – gebruiksrecht betreft en dat opzegging van het gebruiksrecht in strijd is met dat voortdurend gebruiksrecht.

Gedaagde stelt dat de opzegging in strijd is met de gebruiksovereenkomst die partijen hebben gesloten.

Volgens gedaagde heeft eiseres in haar brief van 4 januari 2021 aan gedaagde en de broer bevestigd dat gedaagde en haar kinderen in het kader van de echtscheiding van gedaagde enige voorwaarde een gebruiksrecht hebben van de woning.

Partijen hebben volgens gedaagde ook afspraken gemaakt over een gebruiksvergoeding.

De voorzieningenrechter kan gedaagde niet volgen in dat betoog.

In de bedoelde brief staat, boven de passage waarop gedaagde zich beroept, opgenomen dat gedaagde in juli 2019, vanwege haar echtscheiding, heeft gevraagd om de woning tijdelijk te gebruiken, waarmee eiseres en de broer, gelet op de ook volgens hen vervelende situatie voor gedaagde, hebben ingestemd.

Bovendien vonden zij het vanzelfsprekend dat ook de kinderen van gedaagde in de woning mochten wonen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de passage in die brief, waarnaar gedaagde verwijst, en die luidt: “Zoals eerder genoemd hebben we het gebruik van de woning door (gedaagde) en haar kinderen, in het kader van haar scheiding, zonder enige voorwaarden en als vanzelfsprekend toegestaan.”, terugslaat op de vraag van gedaagde om de woning tijdelijk te mogen gebruiken in verband met de echtscheiding.

Daaruit concludeert de voorzieningenrechter dat ook voor gedaagde duidelijk moet zijn geweest dat het gebruik slechts tijdelijk zou zijn.

Gedaagde heeft ook niet concreet onderbouwd waaruit volgt dat partijen zouden zijn overeengekomen dat gedaagde recht op een gebruiksrecht van onbepaalde duur heeft, dan wel een gebruiksrecht voor een termijn die nog niet is verstreken.

Dat gedaagde een gebruik voor onbepaalde duur zou zijn toegezegd, is ook niet aannemelijk nu eiseres op 13 oktober 2020 nog aanvullingen heeft doen toekomen op een concept van een huurovereenkomst over de periode van 3 november 2020 tot 1 juli 2021, welke concept nota bene is opgesteld door een adviseur van gedaagde, te weten makelaar V.

In die aanvullingen is aangegeven dat na het einde van de huurtermijn zal worden overgegaan tot verkoop van de woning.

In een reactie op de e-mail van eiseres van 13 oktober 2020 antwoordt de adviseur van gedaagde, V, namens gedaagde dat deze akkoord is met de duur van de huurovereenkomst.

Ook in de brief van 10 november 2020 wordt gesproken over een datum van beëindiging van de huurovereenkomst met ingang van 1 juli 2021.

Dat uiteindelijk geen tijdelijke huurovereenkomst tot stand is gekomen, betekent niet dat in plaats daarvan een gebruiksrecht voor onbepaalde duur zou zijn overeengekomen.

Bovendien heeft te gelden dat ook een gebruiksovereenkomst die zou zijn gesloten voor een onbepaalde duur in beginsel kan worden ontbonden, zij het dat daarbij een redelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen.

Gedaagde heeft verder het volgende aangevoerd.

Tot de beheerhandelingen van een executeur die dienstig zijn aan de normale exploitatie van – in dit geval – de woning behoort volgens gedaagde dat deze wordt bewoond en derhalve niet dat deze leeg en onbeheerd wordt gelaten.

Derhalve is bewoning door haar volgens gedaagde dienstig aan de woning, zodat de gevorderde ontruiming om die reden zou moeten worden afgewezen.

Deze stelling moet worden verworpen.

Tot de beheersmaatregelen waartoe eiseres als executeur exclusief bevoegd is, behoort naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook de uitoefening van het recht om de woning te ontruimen, zodat deze op korte termijn onbewoond kan worden geleverd aan een nieuwe eigenaar, ongeacht het antwoord op de vraag of dit een van de erfgenamen is of een derde.

Gedaagde heeft verder aangevoerd dat de gevorderde ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat toedeling van de woning aan haar voor de hand ligt.

Zij is ook bereid en in staat is om de woning tegen de getaxeerde waarde van € 250.000,- over te nemen.

Die betwisting van de vordering van eiseres is echter niet relevant.

Gedaagde heeft niet méér recht op toedeling van de woning dan haar broer en zus, de mede-eigenaren en mede-erfgenamen, en evenmin blijkt waaruit zij recht zou hebben op toedeling voor een prijs van € 250.000,-.

De aanvankelijke stelling van gedaagde, dat toedeling van de woning aan haar voor de hand ligt, omdat eiseres niet eerder (dan ter zitting) zou hebben laten blijken ook geïnteresseerd te zijn in de koop van de woning is al feitelijk onjuist gebleken, omdat eiseres ter zitting heeft verklaard wel degelijk geïnteresseerd te zijn in toedeling van de woning.

Eiseres stelt daartoe ook een bod in een gesloten envelop aan de notaris te hebben aangeboden, zoals volgens haar tussen partijen ook overeengekomen is, zij het dat gedaagde niet een dergelijk bod zou hebben gedaan, omdat dat vervolgens gedaagde niet zou zijn overeengekomen.

In dit verband wil de voorzieningenrechter niet nalaten te wijzen op het feit dat hem de verklaring van gedaagde, dat zij niet wist dat eiseres ook geïnteresseerd was in de woning, niet geloofwaardig voorkomt.

In een verslag van een gesprek dat partijen op 12 februari 2021 bij de notaris hebben gehad noteert de notaris immers dat beide partijen geïnteresseerd zijn in de aankoop van de woning.

Bovendien is niet gebleken waarom gedaagde recht zou hebben om de woning voor € 250.000,- te kopen en andere mede-eigenaren en mede-erfgenamen niet.

De andere mede-eigenaren hebben bovendien recht om, in het kader van een verdeling en ter bevordering van een zo hoog mogelijke opbrengst, de woning op basis van een biedingsprocedure te verkopen, welke procedure mogelijk leidt tot een hogere opbrengst dan € 250.000,-.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen kan dus geen belang door gedaagde worden ontleend om in de woning te mogen blijven wonen totdat deze (eventueel) aan haar is toegedeeld.

Het is ook niet aannemelijk dat, indien in het kader van een geschil over toedeling van de woning door de bodemrechter zou moeten worden geoordeeld over de vraag aan wie van de erfgenamen de woning moet worden toegedeeld, die bodemrechter zal oordelen dat nu eiseres en de broer al een woning hebben en gedaagde niet – nu zij haar voormalige echtelijke woning heeft moeten verlaten en deze inmiddels is verkocht of zal worden verkocht – gedaagde recht heeft op toedeling van de woning.

Dat vermeende recht van gedaagde kan derhalve dan ook geen argument opleveren om te oordelen dat nu zij meer recht zou hebben op toedeling van de woning zij in verband daarmee die woning tot die veronderstelde toedeling zou mogen bewonen.

Ten slotte heeft gedaagde tegen de gevorderde ontruiming aangevoerd dat zij bij een toewijzing van de vordering tot ontruiming dakloos wordt, hetgeen des te erger is, nu haar zoon, die lijdt aan angst- en dwangstoornissen, en als zeer kwetsbaar moet worden beschouwd, en afwisselend bij zijn vader en zijn moeder woont, daarmee ook (gedeeltelijk) dakloos wordt.

Ook dat verweer moet worden verworpen.

Dat gedaagde bij toewijzing van de vordering dakloos wordt, is onvoldoende grond om de vordering af te wijzen.

Datzelfde geldt voor het feit dat de zoon van gedaagde als zeer kwetsbaar moet worden beschouwd.

De voorzieningenrechter zal bepalen dat gedaagde de woning binnen twee weken na betekening van dit vonnis zal dienen te ontruimen.

Deze termijn komt de voorzieningenrechter redelijk voor, gelet op het feit dat gedaagde al sedert april 2021 rekening had kunnen houden met een verplichting tot ontruiming.

Omdat gedaagde gemotiveerd heeft gesteld dat de inboedelgoederen, die volgens eiseres door gedaagde buiten (onder een dekzeil) zijn geplaatst, zich nog in de woning bevinden en eiseres die betwisting op haar beurt onweersproken heeft gelaten, moeten de vorderingen als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Bij ontruiming door gedaagde van de woning staan de inboedelgoederen, waarvan zij verwijdering uit diezelfde woning vordert, haar immers niet meer in de weg.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over gebruiksrechten, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.