De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de berekening van de waarde van een legaat.
Erflaatster en erflater waren gezamenlijk eigenaar van de woning.
Erflater is op 5 november 2010 blijkens een notariële akte van die datum overgegaan tot gedeeltelijke afgifte van het legaat uit het testament van erflaatster door erflaatsters deel van de woning aan zichzelf te leveren.
Over de inbreng is in de notariële akte opgenomen dat erflater de waarde van de woning in vrij opleverbare staat op € 244.800,- heeft gesteld en dat erflater van mening is dat in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap moet worden uitgegaan van de waarde in bewoonde staat, zijnde € 146.880,-.
In de notariële akte staat daarnaast dat A c.s. niet instemmen met waardering van de woning in bewoonde staat en dat partijen nog dienen over te gaan tot vaststelling van de door erflater in te brengen, te verrekenen dan wel schuldig te erkennen waarde.
A c.s. en erflater zijn het echter niet eens geworden over de waarde van de woning.
Partijen zijn het erover eens dat de woning voor de helft tot de nalatenschap van erflaatster behoort.
Ook zijn partijen het erover eens dat de hypotheekschuld ten tijde van het overlijden van erflaatster € 102.100,- bedroeg en dat de woning gewaardeerd moet worden in onbewoonde staat.
Partijen zijn echter verdeeld over de waarde van de woning (€ 244.800,- of € 267.000,-) en over de vraag of rekening moet worden gehouden met een bedrag dat erflater bij aankoop van de woning heeft ingebracht.
Erfrecht. Legaat. Berekening van de waarde van een legaat. Waardebepaling van een woning. Peildatum. Inbreng. Hypotheekschuld.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling van dit punt voorop dat op grond van artikel 4:6 BW ook voor de berekening van de waarde van een legaat de waarde van de goederen van de nalatenschap moet worden bepaald naar het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflaatster en dat de goede en kwade kansen van waardestijging en waardedaling van de woning voor risico komen van de erfgenamen en niet voor risico komen van de legataris (Hoge Raad 25 augustus 2023, HR:2023:1130).
Nu C c.s. hebben erkend dat de door A c.s. genoemde waarde van € 267.000,- de waarde in 2006 was, moet daarom van die waarde worden uitgegaan.
De door C c.s. bepleite waarde van € 244.800,- kan niet worden gevolgd, omdat dit volgens hen de waarde was in 2010 en niet die ten tijde van het overlijden van erflaatster in 2006.
C c.s. hebben betoogd dat de eigen inbreng van erflater bij aankoop van de woning € 74.678,- was.
Nadat A c.s. dit hadden betwist, lag het op de weg van C c.s. om de gestelde inbreng te onderbouwen.
Nu zij dit hebben nagelaten – de overgelegde “afwikkelingsnotitie” van 8 november 2021 vermeldt het standpunt van erflater, maar geen onderbouwing daarvan,
Hetzelfde geldt voor de overgelegde handgeschreven notitie, waarin het bedrag van € 74.678,- overigens niet eens vermeld wordt – moet de gestelde inbreng als niet langer voldoende onderbouwd worden gepasseerd.
Het voorgaande betekent dat de waarde van de woning verminderd met de hypotheekschuld (€ 267.000,- – € 102.100,- =) € 164.900,- bedroeg.
De helft van de woning was van erflaatster, zodat de woning voor een bedrag van € 82.450,- bij de verdeling in aanmerking moet worden genomen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.